ECLI:NL:CRVB:2008:BG5549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies verdiencapaciteit
Appellant, voormalig zelfstandig komkommerkweker, viel uit wegens fysieke en psychische klachten en vroeg een WAO-uitkering aan. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant reeds bij aanvang van zijn dienstverband ongeschikt was voor het laatst verrichte werk. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant bij aanvang al ongeschikt was voor zijn functie en dat het loonverlies ongeveer 12% bedroeg.
Het UWV weigerde de uitkering omdat de afname van de verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg, en vorderde het voorschot terug. Zowel de bezwaarverzekeringsarts als de bezwaararbeidsdeskundige bevestigden de beperkingen en de beoordeling van het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de maatman de laatst verrichte arbeid zou moeten zijn, maar de Raad oordeelde dat dit niet juist is omdat appellant al bij aanvang gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. De Raad vond het passend om als maatman de functie van inpakker te nemen, die als passend werd aangemerkt. De Raad bevestigde dat er geen relevant verlies aan verdiencapaciteit was en dat het voorschot onverschuldigd was betaald.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies van verdiencapaciteit.