ECLI:NL:CRVB:2008:BG6008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid en maatmaninkomen
Appellant was aanvankelijk kableerder en viel in 1989 uit wegens klachten aan linkerarm en elleboog. Na een eerdere WAO-uitkering en intrekking, werkte hij als kok tot augustus 1999, waarna sinusitisklachten hem weer arbeidsongeschikt maakten. Vanaf 15 augustus 2000 werd opnieuw een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering per 11 januari 2006 in na onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, die oordeelden dat appellant geschikt was voor bepaalde functies en dat het maatmaninkomen correct was vastgesteld op basis van de laatst verrichte arbeid als kok.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische beperkingen waren onderschat en dat het maatmaninkomen op basis van zijn eerdere werk als kableerder had moeten worden vastgesteld, met een beroep op artikel 6, zevende lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de bezwaararbeidsdeskundige terecht het werk als kok als maatgevende arbeid had genomen. Het beroep op het genoemde artikel faalde omdat de situatie niet daarop van toepassing was.
De Raad concludeerde dat het UWV de WAO-uitkering terecht had ingetrokken en bevestigde het bestreden besluit van de rechtbank Utrecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 3 december 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 11 januari 2006.