ECLI:NL:CRVB:2008:BG6181

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2759 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij zijn arbeidsongeschiktheid was teruggebracht van 80-100% naar 45-55% per 18 mei 2006. De rechtbank Assen vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende arbeidskundige motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de medische grondslag voldoende was en de aanvullende toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige de uitkomst ondersteunde.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen door verzekeringsartsen waren onderschat en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was ingevuld, waardoor hij de geduide functies niet kon vervullen. De Centrale Raad overwoog dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die niet reeds in beroep waren besproken.

De Raad sloot zich aan bij de rechtbank en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en de FML. Tevens oordeelde de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige afdoende had gemotiveerd dat de belasting van de functies de belastbaarheid van appellant niet te boven ging. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/2759 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 maart 2007, 06/1195 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2008.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 mei 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2. Bij besluit van 31 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige en toereikende medische grondslag, maar dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de oorspronkelijke arbeidskundige motivering. Gelet op de in beroep door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven aanvullende toelichting en motivering met betrekking tot de passendheid van de geduide functies, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de uitkomst van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling een juiste is.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn onderschat en dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bezwaren tegen de wijze waarop zijn beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn vermeld. Als gevolg van deze beperkingen is hij niet in staat de geduide functies per 18 mei 2006 te vervullen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Appellant heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hij niet al in beroep heeft aangevoerd.
4.3. De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de resultaten van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen, zoals neergelegd in de FML en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.
4.4. Voorts is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige
- zij het eerst in beroep - afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de FML, niet te boven gaat en stelt zich ook op dit punt volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.
4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
T.J. van den Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) T.J. van den Torn.
RB