ECLI:NL:CRVB:2008:BG6346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende ziekteverzuimrisico
Appellante stelde in hoger beroep dat haar te verwachten ziekteverzuim door het syndroom van Bartter tussen 30 en 45% ligt, waardoor het onredelijk zou zijn van een werkgever om haar in dienst te nemen. Het UWV had haar WAO-uitkering ingetrokken op grond van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, waarbij het te verwachten ziekteverzuim was vastgesteld op circa 20%.
De rechtbank had het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het intrekkingsbesluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. De bezwaarverzekeringsarts had het verzuimpercentage uitvoerig onderbouwd en het hogere eerdere percentage van 30-40% als onvoldoende feitelijk onderbouwd bestempeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor het hogere verzuimpercentage. Het te verwachten ziekteverzuim van circa 20% ligt binnen de grenzen van wat redelijkerwijs van een werkgever kan worden verlangd. Ook het subsidiaire standpunt van een verzuimpercentage van 24,97% leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak voor zover deze de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laat. De WAO-uitkering blijft ingetrokken met ingang van 30 november 2003.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd omdat het te verwachten ziekteverzuim van circa 20% niet leidt tot onredelijkheid voor een werkgever.