ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5368

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1287 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing

Appellant, werkzaam als broodinpakker, viel op 1 november 2007 uit wegens rugklachten, spanningsklachten en Familiaire Mediterrane Koorts (FMF). Het UWV stelde op 29 oktober 2009 vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij frequent aanvallen heeft door FMF, wat het ziekteverzuim zou verhogen. Hij bracht aanvullende medische stukken in, maar deze betroffen een periode na de datum in geding en boden geen objectiveerbare onderbouwing. Het UWV paste de arbeidskundige beoordeling aan, maar dit had geen invloed op de uitkomst.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de medische beperkingen onvoldoende zijn aangetoond en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover aangevochten en het hoger beroep wordt gegrond verklaard. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering en handhaaft de rechtsgevolgen van het besluit van het UWV.

Uitspraak

11/1287 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 januari 2011, 10/1343 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Lessy, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 januari 2013 heeft mr. Lessy nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd door toezending van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 25 januari 2013.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lessy en E. Battaloglu (tolk). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als broodinpakker, voor welke werkzaamheden hij op 1 november 2007 is uitgevallen met rugklachten, spanningsklachten en toenemende klachten in verband met Familiaire Mediterrane Koorts (FMF).
1.2. Met ingang van 29 oktober 2009 (datum in geding) heeft het Uwv bij besluit van dezelfde datum vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
1.3. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven en hiertoe als volgt overwogen.
2.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft, naar aanleiding van vragen van de rechtbank, op 26 november 2010 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast en appellant alsnog beperkt geacht voor een hoog handelingstempo (aspect 1.9.8). Op grond van de beschikbare gegevens is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen, rekening houdend met de aanpassing van de FML op 26 november 2010, bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Wat de omvang van het ziekteverzuim betreft, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Raad dat bij een te verwachten ziekteverzuim van circa 25% de grens wat in redelijkheid nog van een werkgever kan worden verlangd niet is overschreden (zie onder andere de uitspraak van 21 november 2008, LJN BG6346). In de beschikbare gegevens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dit percentage in het geval van appellant wordt overschreden. De rechtbank merkt in dit verband op dat appellant, blijkens een mail van Job Solutions gedateerd 14 april 2009, in april 2009 heeft verklaard dat hij bijna maandelijks een aanval heeft. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht waaruit zou blijken dat hij na april 2009 gemiddeld twee aanvallen per week heeft. Uit de door appellant overgelegde brieven van de huisarts van 23 november 2009 en 28 juni 2010 valt niet af te leiden wat de frequentie van de aanvallen van appellant op datum in geding is.
2.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 29 november 2010 nogmaals de functies bekeken, waarbij hij rekening heeft gehouden met de aangepaste FML van 26 november 2010. De functie van medewerker tuinbouw acht hij, gelet op het hoge handelingstempo, niet langer geschikt voor appellant. Voor de overige functies acht hij appellant echter onverminderd geschikt. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de medische beperkingen van appellant in deze functies niet worden overschreden. De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Appellant woont sinds 1980 in Nederland en tijdens zijn spreekuur heeft de arbeidsdeskundige geconstateerd dat appellant de Nederlandse taal goed spreekt en verstaat. Ook de rechtbank heeft dit ter zitting geconstateerd. Nu in de geduide functies geen hoge eisen aan de taalbeheersing worden gesteld, zijn deze passend voor appellant. Het verlies aan verdienvermogen is berekend op 20,16%. De rechtbank ziet geen aanleiding deze berekening voor onjuist te houden.
2.3. Omdat het Uwv pas in beroep een juiste medische grondslag aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, en eerst in beroep één functie alsnog ongeschikt heeft geacht en heeft vervangen door een andere, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek maar, nu het bestreden besluit verder de rechterlijke toets kan doorstaan, de rechtsgevolgen in stand gelaten.
3.1. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn gronden in beroep herhaald. Met name blijft appellant bij zijn stelling dat hij frequent last heeft van aanvallen ten gevolge van FMF, soms wel meerdere aanvallen per week, en dat hierdoor voor wat betreft de omvang van het ziekteverzuim de ondergrens van 25% zal worden overschreden. In dit verband heeft appellant wederom verwezen naar de brieven van de huisarts van 23 november 2009 en 28 juni 2010 en in hoger beroep nog nadere (medische) informatie in het geding gebracht, waaronder een mail van psychotherapeut P. Robben van 7 januari 2013 en een afleveringshistorie van een Apotheek.
3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in hoger beroep in zijn rapportage van 18 april 2011 uit zorgvuldigheidsoverwegingen alsnog aanleiding gezien om de functie van wikkelaar, samensteller (SBC-code 3697-0024-022) onder nummer 3697-0024-022 niet passend te achten omdat appellant voor deze functie op termijn een Vapro-basis opleiding dient te volgen. Hij ziet voor de uitkomst van de schatting echter geen gevolgen omdat er voldoende functies resteren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De gronden in hoger beroep richten zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover hierin wordt geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand dienen te blijven. Enkel dit oordeel ligt dan ook in hoger beroep ter beoordeling voor.
4.2. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.1 en 2.2 en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn onder 3.1 weergegeven stelling niet onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens. Zoals de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft opgemerkt in zijn rapportage van 25 januari 2013 handelen de in hoger beroep door appellant ingebrachte (medische) stukken over de periode vanaf 2011 en hebben deze stukken geen betrekking op de datum in geding.
4.3. In hoger beroep heeft het Uwv echter aanleiding gezien om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit bij te stellen, in de zin zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 18 april 2011 evenwel genoegzaam toegelicht, hetgeen door appellant ook niet is bestreden, dat deze bijstelling geen gevolgen heeft voor de uitkomst van de schatting. Zodoende is het bestreden besluit eerst in hoger beroep voorzien van een deugdelijke motivering. Dit brengt mee dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten en dat het hoger beroep daarom slaagt. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevochten, en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ook in hoger beroep in stand dienen te blijven.
5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten, zijnde de post beroepsmatig verleende rechtsbijstand, worden begroot op € 944,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 februari 2010 in stand blijven;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 944,- te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.J.W. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) Z. Karekezi