ECLI:NL:CRVB:2008:BG6513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en herroeping van WAO-uitkering wegens gebrek aan procesbelang
Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 5 mei 2003 in te trekken wegens een vermeende arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. Tijdens de procedure gaf het UWV aan bereid te zijn tot aanvullend medisch onderzoek, waarna een psychiatrische expertise werd uitgevoerd. Op basis hiervan herzag het UWV het eerdere besluit en herroemde het de intrekking van de uitkering.
In hoger beroep stelde appellante dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar haar psychische gesteldheid en dat een onafhankelijk onderzoek noodzakelijk was. Het UWV stuurde nadien documenten toe over de vergoeding van wettelijke rente en verrekening met andere uitkeringen. Appellante maakte bezwaar tegen deze verrekening en de hoogte van de WAO-uitkering.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een actueel procesbelang, nu het UWV het oorspronkelijke besluit volledig had herroepen en geen schadevergoeding werd gevorderd. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na herroeping van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering.