ECLI:NL:CRVB:2008:BG6714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die wegens lichamelijke en psychische klachten een WAO-uitkering ontving, kreeg deze per 17 maart 2006 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking gegrond wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante in de Functionele Mogelijkheden Lijst adequaat waren weergegeven. Tevens vond de rechtbank dat het UWV voldoende had onderbouwd dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat zij de functies niet kon vervullen. Zij overlegde medische stukken, waaronder een huisartsjournaal en rapporten van de Arbo Unie. De Raad vond echter geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank, omdat de nieuwe stukken geen nieuw licht wierpen en de medische situatie per 17 maart 2006 niet anders maakten.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt en de geselecteerde functies passend zijn.