ECLI:NL:CRVB:2008:BG6897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit WAO wegens schending redelijke termijn en toekenning immateriële schadevergoeding
Appellante ontving vanaf januari 2000 een WAO-uitkering die in augustus 2001 werd ingetrokken omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Het UWV vorderde later onverschuldigd betaalde bedragen terug via besluiten in 2003 en 2004, waartegen appellante bezwaar maakte. De bezwaarprocedure duurde ruim vijf jaar, wat de Raad als een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro beoordeelde.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden terugvorderingsbesluit van oktober 2005 wegens deze termijnoverschrijding en kende appellante een immateriële schadevergoeding van €1.000,- toe. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven echter in stand omdat het eerdere besluit uit 2002 formele rechtskracht had gekregen en het UWV op grond van de WAO verplicht was tot terugvordering.
Verder oordeelde de Raad dat het UWV niet in strijd had gehandeld met het verbod van reformatio in peius door een hoger bedrag terug te vorderen tijdens de bezwaarprocedure. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, ondanks de financiële situatie van appellante en de trage besluitvorming. Tot slot werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit van het UWV wordt vernietigd wegens schending van de redelijke termijn en appellante ontvangt een immateriële schadevergoeding van €1.000,-.