ECLI:NL:CRVB:2008:BG7014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1382 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging plaatsing senior adviseur na weigering assessmentresultaten te delen

Appellant was werkzaam als hoofd Informatie & Automatisering bij een justitiële jeugdinrichting, maar zijn functie kwam te vervallen door een reorganisatie. Hij kreeg de A-status toegekend, wat inhield dat binnen de nieuwe organisatie een passende functie voor hem gezocht zou worden. Appellant gaf zijn voorkeur aan voor drie functies, maar werd geplaatst als senior adviseur I & A. Hij maakte bezwaar omdat hij vond dat hij ten onrechte niet in aanmerking was gebracht voor zijn eerste en tweede voorkeur.

De minister verklaarde het bezwaar gegrond en stelde appellant in de gelegenheid om twee assessments te ondergaan voor de functies hoofd ICT-beheer en coördinator advies. Appellant onderging de assessments, maar blokkeerde de verzending van de rapportages aan de minister. Hierdoor kon de minister zijn geschiktheid niet toetsen en handhaafde het besluit om hem als senior adviseur te plaatsen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad dat appellant door het niet delen van de assessmentresultaten niet had aangetoond geschikt te zijn voor de voorkeursfuncties. De Raad oordeelde dat het eerdere besluit van de minister niet op onvoldoende gronden berustte en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: De Raad bevestigt het besluit om appellant niet te plaatsen in zijn voorkeursfuncties vanwege het niet delen van assessmentresultaten.

Uitspraak

07/1382 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 februari 2007, 06/4311 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 4 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door B. Gleiss, werkzaam bij ASV Adviesburo Sociale Verzekeringen te Gorinchem. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. van Kreuningen-Helders, werkzaam bij het ministerie van Justitie.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam als hoofd Informatie & Automatisering bij de justitiële jeugdinrichting de [naam jeugdinrichting] te [vestigingsplaats]. Bij besluit van 1 december 2004 is appellant meegedeeld dat deze functie als gevolg van een reorganisatie vanwege de invoering van vijf Shared Service Centers, is komen te vervallen. Aan appellant is de zogeheten
A-status toegekend, hetgeen meebrengt dat binnen de nieuwe organisatie zal worden gezocht naar een passende functie. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
1.2. Op een belangstellingsregistratieformulier heeft appellant zijn voorkeur kenbaar gemaakt voor (op volgorde van voorkeur) de functies van coördinator advies, hoofd ICT-beheer en senior adviseur I & A. Bij besluit van 23 juni 2005 heeft de minister appellant per 1 juli 2005 overeenkomstig het advies van de plaatsingsadviescommissie (hierna: PLAC) geplaatst in de functie van senior adviseur I & A, met als standplaats het [standplaats]. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat hij meent ten onrechte niet in aanmerking te zijn gebracht voor de functies die zijn eerste en tweede voorkeur hadden.
1.3. Bij besluit van 22 februari 2006 is dit bezwaar, in overeenstemming met het advies van de bezwarenadviescommissie, gegrond verklaard. Tevens is besloten appellant in de gelegenheid te stellen twee assessments te ondergaan, te weten voor de functies van hoofd ICT-beheer en coördinator advies en is meegedeeld dat naar aanleiding van de resultaten van beide assessments een besluit wordt genomen over de plaatsing van appellant binnen het [standplaats]. Tegen dit besluit heeft appellant evenmin een rechtsmiddel aangewend.
1.4. Appellant heeft de beide assessments ondergaan, maar heeft vervolgens gebruik gemaakt van het recht om de verzending van de rapportage te blokkeren. Daarop heeft de minister bij besluit van 17 juli 2006 meegedeeld dat hij de geschiktheid van appellant voor beide functies niet kan toetsen, als gevolg waarvan de plaatsing als senior adviseur wordt gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de plaatsing van appellant in de functie van senior adviseur niet op ontoereikende gronden berust.
3. Appellant heeft zich ook in hoger beroep in de kern op het standpunt gesteld dat de gang van zaken rondom de PLAC onzorgvuldig is geweest, zoals ook blijkt uit het door de bezwarenadviescommissie uitgebrachte advies. Appellant heeft voorts betoogd dat hij gezien zijn arbeidsverleden, wijze van functioneren en functieschaal bij voorrang in aanmerking had moeten komen voor de geambieerde twee functies.
4. De Raad overweegt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als volgt.
4.1. Uit het besluit van 22 februari 2006 blijkt dat appellant de gelegenheid kreeg assessments te ondergaan voor de twee functies van zijn voorkeur. Daartoe is volgens het advies van de bezwarencommissie dat ten grondslag ligt aan dit besluit besloten, omdat de PLAC de twijfels over de geschiktheid van appellant voor deze functies niet deugdelijk had gemotiveerd en had nagelaten nadere informatie te vergaren waarop het ongeschiktheidsoordeel had kunnen worden gebaseerd. Doordat appellant in dit besluit heeft berust, althans daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, hebben deze conclusies, zo stelt de Raad vast, voor dit geding als uitgangspunt te gelden. Dit betekent dat over de grieven van appellant inzake de procedure bij de PLAC thans geen oordeel meer kan worden gegeven. Die procedure is overigens al als onzorgvuldig bestempeld.
4.2. Voorts moet ervan worden uitgegaan dat appellant door geen beroep tegen het besluit van 22 februari 2006 in te stellen, heeft ingestemd met de aan het slot van dit besluit opgenomen voorwaarde dat - uitsluitend - naar aanleiding van de resultaten van de beide assessments een besluit zou worden genomen over zijn plaatsing. Dit betekent dat de overige gegevens genoemd onder 3 geen rol meer konden spelen.
4.3. Nu appellant de resultaten van zijn assessments om hem moverende redenen niet ter kennis heeft willen brengen van de minister, is niet kunnen blijken van appellants geschiktheid voor de twee functies van zijn voorkeur. Daaruit volgt dat het oordeel van de rechtbank dat het besluit van de minister om appellant niet te plaatsen op één van die twee functies niet op onvoldoende gronden berust, kan worden onderschreven. De aangevallen uitspraak komt dan ook, zij het op iets andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook de overige verzoeken van appellant worden afgewezen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Wijst het verzoek van appellant om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2008.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD