ECLI:NL:CRVB:2008:BG7025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 24 april 2006, waarin haar WAO-uitkering werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een onjuiste arbeidskundige grondslag, met name de onjuiste bepaling van de urenomvang van de maatman.
In hoger beroep stelde appellante dat haar medische beperkingen waren toegenomen en dat zij de voorgehouden functies niet kon verrichten. De Raad volgde dit niet en onderschreef de medische beoordeling van het UWV, die geen sprake zag van toegenomen beperkingen. Wel werd een onjuiste invulling van de Functionele Mogelijkhedenlijst vastgesteld, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst.
Het UWV nam een nieuw besluit op 3 mei 2007, waarin de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd bleef. Omdat appellante geen nadere gronden tegen dit besluit had ingediend, verklaarde de Raad het beroep tegen dit besluit ongegrond en bevestigde de vernietiging van het eerdere besluit door de rechtbank.
De Raad oordeelde dat het nieuwe besluit niet tegemoet kwam aan de bezwaren, maar dat er geen redenen waren om het beroep alsnog gegrond te verklaren. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Brand, waarbij het beroep tegen het nieuwe besluit werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het nieuwe besluit van 3 mei 2007 wordt ongegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft ongewijzigd.