ECLI:NL:CRVB:2008:BG7094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.J.A. Kooijman
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en feitelijke woonsituatie
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder met als woonadres een woning in gemeente [woonplaats 1]. Op basis van een vermoeden dat zij niet op dat adres woonde, voerde het College een onderzoek uit, inclusief getuigenverklaringen, buurtonderzoeken en observaties. Hieruit bleek dat appellante vanaf circa december 2003 feitelijk woonde in een woning van haar ex-partner in een andere gemeente.
Het College trok daarop de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 1 december 2003 tot 1 december 2004. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond voor die periode, maar handhaafde de terugvordering. Appellante ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
De Raad stelde vast dat de getuigenverklaringen en observaties voldoende bewijs leverden dat appellante vanaf december 2003 niet meer woonde op het opgegeven adres. Ook medische rapporten en het feit dat haar zoon nog wel eens in het oude huis werd gezien, konden dit niet weerleggen. De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand introk en terugvorderde omdat appellante niet aan haar inlichtingenplicht had voldaan.
De Raad verwierp het verweer dat de strafrechtelijke veroordeling van appellante relevant was in deze bestuursrechtelijke procedure. De intrekking en terugvordering waren in overeenstemming met de WWB en het beleid van het College. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.