ECLI:NL:CRVB:2008:BG7138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding op grond van AOW-registratie
Appellant ontving bijstand als alleenstaande vanaf 16 december 1997. Tijdens een heronderzoek in 2005 bleek dat appellant en zijn broer op hetzelfde adres stonden ingeschreven en dat de broer sinds 1 juli 2000 een AOW-pensioen met partnertoeslag ontvangt, waarbij zij een gezamenlijke huishouding voeren volgens de registratie bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Het College trok de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2000 in en vorderde de ten onrechte betaalde bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de besluiten maar liet de rechtsgevolgen in stand, waarbij werd vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
In hoger beroep betwistte appellant de rechtsgevolgen. De Raad oordeelde dat de registratie op grond van de AOW en het feitelijk hoofdverblijf in dezelfde woning voldoende bewijs vormen voor een gezamenlijke huishouding. Appellant had zijn inlichtingenverplichting geschonden door dit niet te melden. De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding op grond van AOW-registratie wordt bevestigd.