ECLI:NL:CRVB:2008:BG8402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- T. Hoogenboom
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-voorschotten zonder schending rechtszekerheidsbeginsel
Appellant had een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering per einde wachttijd 27 december 2004. Het UWV stelde echter vast dat appellant niet arbeidsongeschikt was en verklaarde het bezwaar tegen het besluit ongegrond. Vervolgens vorderde het UWV een bedrag van € 11.688,21 terug dat aan appellant als voorschotten was betaald over de periode 27 december 2004 tot 1 februari 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond en oordeelde dat appellant op de hoogte was van het voorschotkarakter van de betalingen en dat terugvordering niet in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellant voerde aan dat hem geen beschikking was verstrekt waaruit het voorschotkarakter bleek en dat de terugvordering daarom onrechtmatig was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelt vast dat appellant geacht moest worden te weten dat de betalingen voorschotten waren die teruggevorderd konden worden indien geen recht op WAO-uitkering bestond. Er was geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Het beroep op een eerdere uitspraak van de Raad faalt omdat de omstandigheden verschillen.
De Raad wijst ook de grief af dat het UWV in strijd met eigen beleid zou hebben gehandeld, omdat deze grief te laat is ingebracht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de teveel betaalde WAO-voorschotten heeft teruggevorderd zonder schending van het rechtszekerheidsbeginsel.