ECLI:NL:CRVB:2008:BG8438

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4676 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergoeding niet-verzekerde kosten fysiofitness op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Appellante, een uitkeringsgerechtigde vervolgingsslachtoffer, verzocht vergoeding van de eigen bijdrage voor fysiofitness, die niet door haar ziektekostenverzekering werd gedekt. De verweerster wees dit verzoek af omdat fysiofitness volgens medisch advies geen medische behandeling is, maar een algemene trainingsactiviteit gericht op verbetering van algemene fysieke functies.

Appellante stelde dat haar fysiofitness individueel en onder begeleiding van een erkend fysiotherapeut plaatsvindt en derhalve als fysiotherapeutische behandeling moet worden beschouwd. Nadere informatie van de sportschool bevestigde dat zij een oefenprogramma volgt met medische trainingstherapie, waarvan de fysiotherapeutische kosten grotendeels worden vergoed door de zorgverzekeraar, maar de medische trainingstherapie niet.

De Raad oordeelde dat de fysiofitness, ook als medische trainingstherapie, niet voldoet aan de criteria van een medische behandeling zoals bedoeld in artikel 20 van Pro de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De medische noodzaak ontbreekt en het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van vergoeding van niet-verzekerde fysiofitnesskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/4676 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 5 juli 2007, kenmerk BZ 47061, JZ/Y70/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar zoon, [naam zoon]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 6 november 2008, waar appellante is verschenen, wederom bijgestaan door haar zoon, voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in [geboortejaar], is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat haar psychische klachten, rug- en voetklachten in verband staan met de vervolging. In december 2006 heeft appellante bij verweerster een aanvraag ingediend om haar met ingang van 1 januari 2007 de niet door haar ziektekostenverzekering gedekte kosten van fysiofitness te vergoeden. Verweerster heeft hierop bij besluit van 24 april 2007 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. Aan de onderhavige weigering ligt ten grondslag het advies van de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager van 26 juni 2007, inhoudende dat de voorziening voor fysiofitness niet kan worden toegekend, omdat deze in verband met de uit de vervolging voortvloeiende klachten van appellante niet medisch noodzakelijk is. Hierbij is met name overwogen dat fysiofitness geen fysiotherapeutische behandeling van de klachten betreft, maar het onder begeleiding bewegen in een groep met een aantal algemene - voor ieder gezonde - doelen, zoals het verbeteren van uithoudingsvermogen, mobiliteit, stabiliteit, spierkracht en conditie. Nu het verergeren van de klachten bij minder bewegen ook een algemeen gegeven is, kan dit evenmin leiden tot de conclusie dat fysiofitness medisch noodzakelijk is. Die conclusie vloeit naar het oordeel van verweerster ook niet voort uit het voorschrijven van fysiofitness door de huisarts.
2.2. Door en namens appellante is in hoofdzaak naar voren gebracht dat de onderhavige fysiofitness niet in groepsverband plaatsvindt maar individueel, door een erkend fysiotherapeut en dat dit dus moet worden aangemerkt als een fysiotherapeuthische behandeling. De ziektekostenverzekeraar betaalt het grootste deel van de kosten, de aan verweerster verzochte vergoeding betreft slechts de eigen bijdrage van € 25,- per maand.
2.3. Verweerster heeft naar aanleiding van de behandeling ter zitting van 20 maart 2008 nadere informatie ingewonnen bij de sportschool Mobilis, waar de fysiofitness van appellante plaatsvindt. Ook door appellante is nog nadere informatie van deze sportschool verstrekt. Uit die informatie blijkt dat appellante op advies van haar arts een oefenpro-gramma volgt, waarbij zij twee keer per week begeleid wordt door de fysiotherapeut en deelneemt aan medische trainingstherapie. De kosten voor de fysiotherapeuthische behandeling bedragen € 28,- per behandeling en worden vergoed door de zorg-verzekeraar. De kosten voor medische trainingstherapie, € 25,- per maand, moet appellante zelf betalen.
3. De Raad kan niet tot het oordeel komen dat het door verweerster, in navolging van haar medisch adviseur, ingenomen standpunt dat de fysiofitness (of medische trainings-therapie) niet wordt aangemerkt als een medische behandeling in de zin van artikel 20 van Pro de Wet op de gronden zoals weergegeven onder 2.1 in rechte onhoudbaar is. Daarmee is van een medische noodzaak in de zin van artikel 20 van Pro de Wet geen sprake.
4. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD