ECLI:NL:CRVB:2008:BG8452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als agrarisch medewerker, viel op 13 januari 2004 uit wegens rug- en schouderklachten. Het UWV weigerde op 23 januari 2006 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat psychische klachten ten onrechte niet waren meegewogen in de beoordeling. Hij overhandigde medische verklaringen van zijn huisarts en een GZ-psycholoog ter onderbouwing. De Raad concludeerde echter dat er geen aanwijzingen waren dat deze psychische klachten bestonden op de datum in geding (10 januari 2006). Zowel het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als het bezwaaronderzoek toonden geen psychopathologie of ernstige persoonlijkheidsproblematiek.
De Raad oordeelde dat de brieven onvoldoende bewijs leverden dat de psychische klachten op de relevante datum bestonden en dat het enkele bestaan van klachten niet automatisch leidt tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.