ECLI:NL:CRVB:2008:BG8581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens en niet-melding vermogen in buitenland
Appellanten ontvingen bijstand sinds 1984, laatstelijk op grond van de WWB. Het College van B&W van Hengelo liet in 2003 een onderzoek uitvoeren naar onroerend goed van appellanten in Turkije. Dit onderzoek toonde aan dat zij twee woningen en akkers bezaten met een totale waarde van circa €41.494. Het College beëindigde daarom de bijstand per 1 juli 2004, mede omdat appellant had aangegeven geen beroep meer te willen doen op de WWB.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, waarbij de rechtbank Almelo in 2005 het bezwaar gegrond verklaarde en het College opdroeg een nieuw besluit te nemen. Het College handhaafde het besluit in 2006, met als grond dat het vermogen de vrijstellingsgrens overschreed en het inkomen voldoende was om in de noodzakelijke kosten te voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn en wees het beroep van appellant af. In hoger beroep handhaafde appellante haar beroep niet. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen recht meer had op bijstand vanaf 1 juli 2004 vanwege het overschrijden van de vermogensgrens, ongeacht de hoogte van het inkomen. Tevens werd vastgesteld dat appellant en zijn echtgenote de verplichting tot het melden van vermogen in Turkije hadden geschonden. Het College had daarom terecht de bijstand ingetrokken. De Raad bevestigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens en niet-melding van vermogen in het buitenland.