ECLI:NL:CRVB:2008:BG8900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW- en ZW-uitkeringen ondanks ondoorzichtige inkomenssituatie
Appellante was van 1997 tot 2001 beroepsmilitair en ontving daarna WW- en ZW-uitkeringen. Het UWV betaalde in juli 2003 en mei 2005 nabetalingen die onverschuldigd waren. Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering van deze bedragen, stellende dat de situatie ondoorzichtig was door wisselende inkomsten en uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij teveel had ontvangen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Volgens de Raad is het UWV verplicht tot terugvordering bij onverschuldigde betalingen, tenzij dringende redenen tot afzien bestaan. Zulke dringende redenen zijn hier niet aangetoond.
De Raad overweegt dat de omvang van de nabetalingen en de duidelijkheid daarvan voor appellante voldoende waren om te beseffen dat sprake was van teveel ontvangen uitkeringen. De ondoorzichtige inkomenssituatie en de begeleidende brieven van het UWV bieden geen grond om af te zien van terugvordering.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Middelburg wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen en wijst het hoger beroep af.