ECLI:NL:CRVB:2008:BG9715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd geconfronteerd met intrekkingsbesluiten van het College wegens het niet verstrekken van informatie over drie bankrekeningen waarop kasstortingen waren gedaan. Het College stelde dat deze stortingen als inkomen en vermogen moesten worden aangemerkt, wat leidde tot herziening en terugvordering van bijstand.
Appellant voerde aan dat twee rekeningen niet van hem waren maar van personen die illegaal in Nederland verbleven, en dat het gestolen contante bedrag in mei 2002 van zijn broer was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad stelde vast dat de rechtbank de omvang van het geding onjuist had vastgesteld en zich onterecht had uitgelaten over het beroep van de echtgenote.
De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden omdat de bankrekeningen op zijn en zijn echtgenotes naam stonden en hij niet voldoende had aangetoond dat hij niet over de tegoeden kon beschikken. Het bedrag aan contanten gestolen in mei 2002 werd niet als inkomen aangemerkt. De intrekking van bijstand over mei 2002 was onvoldoende gemotiveerd en werd beperkt tot 1-12 mei 2002. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Besluit intrekking bijstand over mei 2002 wordt vernietigd en beperkt tot 1-12 mei 2002; terugvordering wordt herzien.