ECLI:NL:CRVB:2008:BG9840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAZ-uitkering ondanks betwisting rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel
Appellant, voormalig zelfstandig bloemenkweker, ontving vanaf 12 september 2002 een WAZ-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%. Gedurende de jaren 2004 en 2005 verrichtte hij naast deze uitkering werkzaamheden als zelfstandige en in loondienst, waardoor zijn totale inkomen hoger was dan het vastgestelde maatmaninkomen.
Het UWV paste artikel 58 van Pro de WAZ toe, een anticumulatiebepaling, en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug over genoemde jaren. Appellant betwistte dit en beriep zich op een brief van een arbeidsdeskundige waarin werd gesteld dat de uitkering niet zou worden verlaagd zolang hij niet meer inkomsten had dan zijn maatmaninkomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant de fout in de mededeling had moeten onderkennen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat het rechtszekerheidsbeginsel terugwerkende toepassing van de anticumulatiebepaling uitsluit, tenzij betrokkene wist of redelijkerwijs had moeten weten dat inkomsten uit arbeid invloed hebben op de uitkering. Aangezien appellant een hoger totaalinkomen had dan zijn maatmaninkomen, had hij dit moeten begrijpen. Het vertrouwensbeginsel faalt omdat uit de brief niet met zekerheid kon worden afgeleid dat bijverdienen tot het maatmanloon was toegestaan.
De Raad concludeert dat het UWV terecht tot terugvordering is overgegaan en bevestigt het oordeel van de rechtbank. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht onverschuldigd betaalde WAZ-uitkeringen heeft teruggevorderd over 2004 en 2005.