ECLI:NL:CRVB:2009:BG9464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing
Appellante ontving sinds 3 juni 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, gebaseerd op rugklachten, overgewicht en een oogprothese. Na herbeoordeling in 2005 concludeerden verzekeringsartsen dat zij geschikt was voor rugsparend werk met beperkingen, en een arbeidsdeskundige stelde dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het UWV trok daarop de uitkering per 10 januari 2006 in.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door snelle vermoeidheid van het werkende oog niet geschikt was voor de geduide functies, en overlegde verklaringen van haar huisarts. De Raad stelde vast dat deze verklaringen geen nieuwe medische feiten bevatten en dat de medische beoordeling juist was.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling concludeerde de Raad dat de toelichting op de functiebelastingen pas in hoger beroep voldoende was gegeven, waarmee de gebrekkige motivering van het bestreden besluit was opgeheven. De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd met inachtneming van de rechtsgevolgen.