ECLI:NL:CRVB:2009:BG9580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- M.C.M. van Laar
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische grondslag en juiste functiebelasting
Appellant werd arbeidsongeschikt verklaard na een val in 1993 waarbij zijn rechterarm werd gebroken. Na meerdere operaties en een herbeoordeling in 2005 concludeerde het UWV dat appellant geen verlies van verdiencapaciteit had en trok de WAO-uitkering per 8 februari 2006 in. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep betoogde appellant dat de medische beperkingen van zijn rechterhand onvoldoende waren meegewogen, met name de pincetgreep en grijpkracht. De Raad stelde vast dat een zorgvuldig medisch onderzoek had plaatsgevonden, waarbij ook de behandelend plastisch chirurg was geraadpleegd. De beperkingen waren adequaat in de Functionele Mogelijkheden Lijst verwerkt en appellant bracht geen nieuwe medische gegevens in.
De arbeidsdeskundigen van het UWV hadden drie functies geselecteerd die appellant kon verrichten zonder overschrijding van zijn belastbaarheid. De Raad vond de motivering van de functiebelasting voldoende en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens voldoende medische grondslag en passende functiebelasting.