ECLI:NL:CRVB:2009:BG9604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.M. van Male
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over onvoldoende objectivering bij chronische pijn- en vermoeidheidsklachten in WAO-zaak
Appellante stelde in hoger beroep dat zij arbeidsongeschikt is vanwege Myalgische Encephalomyelitis en het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS), onderbouwd door medische rapporten van internisten en de toepassing van de MAOC-richtlijn. Zij betoogde dat deze medische inzichten voldoende grond vormen voor het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.
Het UWV en de rechtbank concludeerden echter dat de beperkingen van appellante niet objectief en rechtstreeks voortvloeien uit een ziekte of gebrek, mede op basis van rapportages van verzekeringsartsen en een internist die geen stoornissen op lichamelijk of geestelijk vlak vaststelden. De Raad volgde deze lijn en oordeelde dat de medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om te voldoen aan de objectiveringseis van artikel 18 van Pro de WAO.
De Raad overwoog tevens dat er geen sprake was van een uitzonderingsgeval waarbij ondanks het ontbreken van objectief bewijs toch arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen. Hoewel de diagnose CVS werd onderschreven, was er geen eenduidige en verantwoorde medische onderbouwing voor beperkingen die tot arbeidsongeschiktheid leiden.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank Zutphen bevestigd. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende objectief bewijs voor arbeidsongeschiktheid.