ECLI:NL:CRVB:2009:BH0052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante meldde zich ziek tijdens een WW-uitkering wegens buik- en psychische klachten. Het Uwv beëindigde haar ziekengeld per 5 januari 2004 na een medisch oordeel dat zij arbeidsgeschikt was. In bezwaar en beroep werd dit standpunt bevestigd door medische deskundigen, waaronder een verzekeringsarts en een psychiater, die concludeerden dat appellante geen beperkingen had voor het verrichten van arbeid.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische rapporten, ondanks de tijdsverloop tussen onderzoek en rapportage, voldoende gemotiveerd waren om de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding vast te stellen. Appellante kon haar stelling dat zij niet in staat was tot arbeid niet met medische gegevens onderbouwen.
De Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit van het Uwv. De uitspraak benadrukt het belang van gedegen medisch bewijs bij geschillen over arbeidsongeschiktheid en het recht op ziekengeld na een WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat zij op 5 januari 2004 arbeidsgeschikt was.