ECLI:NL:CRVB:2009:BH0064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na WIA-afwijzing wegens geschiktheid voor geduide functies
Appellant viel op 1 juni 2004 uit voor zijn werk als lasser en kreeg bij het einde van de wachttijd geen WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. Hij werd geschikt geacht voor bepaalde functies die in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren omschreven. Vanaf 30 mei 2006 ontving appellant een WW-uitkering. Op 11 december 2006 meldde hij zich ziek vanwege klachten aan zijn rechterenkel. Een verzekeringsarts oordeelde op 29 januari 2007 dat appellant geschikt was voor de geduide functies, waarna het Uwv de Ziektewetuitkering weigerde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de bezwaarverzekeringsarts bevestigde het oordeel van de verzekeringsarts na dossieronderzoek, medisch onderzoek en hoorzitting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat geen medische informatie was overgelegd die het oordeel zou ondermijnen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat ook knie- en psychische klachten bestonden die onvoldoende waren meegewogen. De Raad stelde echter vast dat de eerdere WIA-uitspraak de juistheid van de belastbaarheid en geschiktheid voor de geduide functies bindend vaststelde. De Raad vond de medische rapportages inzichtelijk en gemotiveerd en concludeerde dat appellant geschikt bleef voor de functies. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering vanaf 30 januari 2007.