ECLI:NL:CRVB:2009:BH0296

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-224 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Appellant heeft een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering te ontvangen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan het bombardement op zijn geboorteplaats in 1944 en andere oorlogsgerelateerde gebeurtenissen.

De verweerster heeft het verzoek afgewezen omdat appellant geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit. Medische adviezen van diverse artsen en psychiaters ondersteunen dit standpunt, waarbij de klachten worden toegeschreven aan andere oorzaken dan het oorlogsgeweld.

De Raad heeft het beroep ongegrond verklaard omdat er onvoldoende medische aanwijzingen zijn om het bestreden besluit te vernietigen. Psychische klachten zijn wel aanwezig maar leiden niet tot beperkingen die onder de Wet vallen. Er is ook geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2009, waarbij appellant in persoon is verschenen met zijn raadsman en verweerster vertegenwoordigd was door een medewerker van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen blijvende invaliditeit heeft als gevolg van oorlogsgeweld.

Uitspraak

08/224 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 8 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep laten instellen tegen een door verweerster onder dagtekening 28 december 2007, kenmerk BZ 7694, JZ/A70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2008. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, als zijn raadsman. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren [in] 1935 te [geboorteplaats], heeft in maart 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en om toekenning van de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en van voorzieningen. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan het meegemaakt hebben van het vergissingsbombardement door de geallieerden op 22 februari 1944 op [geboorteplaats]. Appellant heeft aangegeven dat hij door de luchtdruk omver werd geblazen en daarbij werd bedolven onder het puin. Naast andere verwondingen zou hij een gebroken neus hebben opgelopen. Verder heeft hij vele dode lichamen zien liggen. Voorts heeft hij vermeld dat zijn vader met bruut geweld ’s nachts door de bezettende macht van huis werd gehaald.
2. Verweerster heeft hierop afwijzend beslist bij besluit van 27 december 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, te weten zijn directe betrokkenheid bij het bombardement op [geboorteplaats] van 22 februari 1944, maar dat hij als gevolg van die gebeurtenis geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. De lichamelijke klachten, waaronder de neus- en hoofdpijnklachten, de longklachten en de nachtelijke paniekaanvallen kunnen volgens verweerster niet gerelateerd worden aan zijn oorlogservaringen, maar hebben duidelijk een andere oorzaak.
3. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
3.1. Naar uit de stukken blijkt, is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op een door de arts A.J. Maas verricht medisch onderzoek en op ontvangen informatie van de behandelende KNO-artsen, waaronder prof. dr. F. Berger en dr. B.M. Prinz uit Duitsland en dr. C.J.H. Reijnen en S.J. de Vries uit [geboorteplaats]. Voorts is medische informatie verstrekt door de Clinica Sancta Elena te Marbella (Spanje). Tenslotte is in bezwaar op verzoek van appellant een psychiatrische expertise op
13 maart 2007 uitgebracht door dr. J.H. Burgers, psychiater te Marbella. In de medische adviezen is aangegeven dat er bij appellant sprake is van dyssomnia NAO in verband met de nek- en armproblematiek en dat zijn neusklachten, hoofdpijnklachten, longklachten, darmklachten en gewrichtsklachten niet in het door de Wet verlangde verband staan met de geverifieerde oorlogsgebeurtenissen maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan. Met betrekking tot de psychische klachten is geoordeeld dat deze in verband staan met het oorlogsgeweld, maar tevens dat deze geen beperkingen opleveren zodat niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
3.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 3.1 genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Appellant heeft in beroep vooral zijn neusklachten en de daarmee samenhangende hoofdpijnklachten en het verlies van reuk en smaak als oorlogsgerelateerd aangevoerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het voetspoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt, inhoudende dat de neusklachten het gevolg zijn van een aangeboren allergische aandoening, die heeft geleid tot poliepvorming en bijholteontstekingen.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de arts G.J. Laatsch blijkens zijn rapportage van 26 november 2007 de medische informatie opnieuw bestudeerd en geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is nog weer een expertise van een KNO-arts in te winnen omtrent de herkomst van de neus- en hoofdpijnklachten van appellant. Zijns inziens is hier de zogenoemde omgekeerde bewijslast niet van toepassing. Ook een psychiatrisch onder-zoek acht hij niet noodzakelijk. Namens appellant is overigens afgezien van het zelf laten instellen van een medisch onderzoek. Medische gegevens die op de situatie van appellant een ander licht werpen, zijn niet voorhanden.
4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD