ECLI:NL:CRVB:2009:BH0945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- T. Hoogenboom
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in augustus 2004 in omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot onder de 15%. Na bezwaar en een inhoudelijke heroverweging handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het besluit met terughoudendheid toetste.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking en heroverweging, en dat de rechtbank ten onrechte het besluit met terughoudendheid heeft getoetst. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en toetst het besluit inhoudelijk.
De medische rapporten, waaronder het onafhankelijke deskundigenonderzoek, ondersteunen het standpunt van het UWV dat appellante op de datum van het besluit geschikt was voor bepaalde functies. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit pas in hoger beroep voldoende inzichtelijk en toetsbaar is gemotiveerd, waardoor het besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.