ECLI:NL:CRVB:2009:BH1209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van anticumulatie en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving een WAO-uitkering en verrichtte in de periode van november 2001 tot juli 2004 werkzaamheden bij een autosloperij, zonder deze inkomsten onverwijld aan het Uwv te melden. Na onderzoek en een rapport van de arbeidsdeskundige stelde het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid bij en besloot tot schorsing, verlaging en terugvordering van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden, dat de werkzaamheden van economische betekenis waren en dat het Uwv terecht het wettelijk minimumloon als uitgangspunt nam voor de schatting van inkomsten. Ook anticumulatie en terugvordering werden als rechtmatig beoordeeld.
In hoger beroep handhaafde de Raad deze beoordeling. De Raad hechtte vooral waarde aan de verklaring van appellant uit 2004 en aan verklaringen van derden, die samen voldoende bewijs leverden dat appellant daadwerkelijk arbeid verrichtte. Appellant had geen concrete, verifieerbare gegevens over zijn inkomsten aangeleverd en had het Uwv niet geïnformeerd, waardoor het risico van een schatting voor zijn rekening kwam.
De Raad oordeelde dat anticumulatie met terugwerkende kracht toegestaan is en dat geen sprake was van schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de besluiten tot schorsing, verlaging en terugvordering van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.