ECLI:NL:CRVB:2009:BH1236

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7089 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medisch onderzoek

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond die het beroep van betrokkene tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering gegrond verklaarde. Het primaire besluit tot intrekking was gebaseerd op een medisch onderzoek door een arts die niet als verzekeringsarts geregistreerd was.

De Raad overweegt dat een onderzoek door een niet-geregistreerde verzekeringsarts niet dezelfde waarde heeft als dat van een geregistreerde verzekeringsarts. Hoewel een lichamelijk onderzoek niet altijd noodzakelijk is, volstaat dossieronderzoek als regel niet. De rapportages van de stafverzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, die betrokkene niet hebben onderzocht, bieden onvoldoende basis.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van de proceskosten van betrokkene. Het griffierecht wordt eveneens opgelegd aan het Uitvoeringsinstituut.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medisch onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts.

Uitspraak

06/7089 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 november 2006, 06/981 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 23 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008.
Appellant was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 8 december 2005 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene per 9 februari 2006 ingetrokken op grond van de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is afgenomen naar minder dan 15%.
1.2. Bij besluit van 2 mei 2006 heeft appellant het door betrokkene tegen het besluit van
8 december 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gericht tegen het besluit van 2 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en besluiten genomen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de medische advisering die ten grondslag ligt aan het besluit van 2 mei 2006 niet op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat betrokkene voorafgaand aan het besluit van 8 december 2005 niet is onderzocht door een als verzekeringsarts geregistreerde arts. Ook voorafgaand aan het besluit van 2 mei 2006 heeft zo’n onderzoek niet plaatsgevonden, daar de bezwaarverzekeringsarts zich heeft beperkt tot het verrichten van dossierstudie.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit van 8 december 2005 volgens de geldende regels, protocollen en richtlijnen is verricht en mitsdien een voldoende grondslag biedt om hierop de in geding zijnde schatting te baseren.
Subsidiair heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het desbetreffende gebrek in het onderzoek in de loop van het besluitvormingstraject is hersteld. Appellant heeft in dit verband gewezen op de rapportage van de stafverzekeringsarts van 1 november 2005 en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 18 april 2006.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Zoals neergelegd in de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, LJN BA9904, kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. De kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts is - naar de Raad heeft geoordeeld - onvoldoende gewaarborgd om daarop een besluit tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen baseren. Een voldoende basis kan alsnog worden verkregen door een beoordeling door een wel als verzekeringsarts geregistreerde arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar als regel zal dossieronderzoek niet volstaan.
4.3. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen. De primaire grief van appellant faalt mitsdien.
4.4. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat noch voorafgaand aan het primaire besluit van 8 december 2005, noch voorafgaand aan het besluit van 2 mei 2006 in dit geval door een nadere beoordeling door een geregistreerde verzekeringsarts een voldoende basis als bedoeld in overweging 4.2 is verkregen. Het rapport van de stafverzekeringsarts is onvoldoende, omdat dit slechts betrekking heeft op een beperkt onderdeel van het door de niet als verzekeringsarts geregistreerde arts gegeven oordeel. De stafverzekeringsarts heeft betrokkene overigens niet op enig moment in de procedure gezien. Ook de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts levert geen voldoende basis op, daar de bezwaarverzekeringsarts betrokkene niet heeft gezien en tot zijn opvatting is gekomen op basis van dossierstudie.
De subsidiaire grief van appellant faalt mitsdien eveneens.
4.5. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
4.6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C. Palmboom.
GdJ