ECLI:NL:CRVB:2009:BH1755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende maatmaninkomen
Appellante ontving sinds 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanwege arbeidsongeschiktheid na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde haar uitkering in 2004, omdat zij niet langer voor 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd gebaseerd op een arbeidsdeskundig onderzoek waarin de maatmaninkomen van appellante werd vastgesteld op basis van een parttime dienstverband van 16,75 uur per week.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt was. De Svb verklaarde het bezwaar gegrond wegens onvolkomenheden in het arbeidskundig onderzoek, maar handhaafde de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 45%. De rechtbank Dordrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het standpunt van de Svb volgde dat de maatmaninkomen op een parttime dienstverband moest worden gesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid ten minste het (voltijdse) wettelijke minimumloon als maatstaf moet gelden. Het bestreden besluit voldoet hier niet aan, omdat het maatmaninkomen lager is vastgesteld dan het wettelijk minimumloon. Daarnaast ontbrak een omschrijving van de werkzaamheden van appellante als assistent office-manager, waardoor niet kon worden beoordeeld of zij deze werkzaamheden voltijds kon verrichten. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten en werd appellante het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.