ECLI:NL:CRVB:2008:BD6782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot, waarbij zij stelde arbeidsongeschikt te zijn. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering op grond dat appellante niet meer dan 45% arbeidsongeschikt zou zijn en niet voldeed aan de voorwaarden. Diverse medische en arbeidsdeskundige rapporten werden overgelegd, waaronder een functionele-mogelijkhedenlijst van een verzekeringsarts en een rapport van een arbeidsdeskundige die stelde dat appellante geen verlies aan verdiencapaciteit had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij haar werk als voedingsassistente weer had hervat. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het standpunt van de Svb onvoldoende controleerbaar is, mede omdat geen omschrijving van de werkzaamheden als voedingsassistente is gegeven en een rapport van een zenuwarts stelt dat appellante niet meer dan 58 uren per maand kan werken.
De Raad stelt dat het maatmaninkomen ten minste het voltijdse wettelijk minimumloon moet bedragen en dat de Svb onvoldoende heeft onderbouwd dat appellante dit kan verdienen. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt de Svb een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad de Svb tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.