ECLI:NL:CRVB:2009:BH2335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- R. Kooper
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1990 een weduwenpensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na onderzoek concludeerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat appellante vanaf 1 juli 2003 een gezamenlijke huishouding voerde met een onderhuurder, wat leidde tot intrekking van de uitkering per 1 juli 2006.
De rechtbank stelde echter vast dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 28 oktober 2003 bestond en bepaalde de intrekkingsdatum op 1 november 2003. Appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Raad beoordeelde of vanaf 28 oktober 2003 aan de wettelijke criteria voor gezamenlijke huishouding was voldaan, namelijk het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning en het leveren van wederzijdse zorg.
De Raad concludeerde dat appellante en de onderhuurder sinds die datum samenwoonden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door het delen van de woning, gezamenlijke eigendom van een boot, gezamenlijke hypothecaire lening en huishoudelijke taken. De bijdrage van de onderhuurder werd niet als zakelijke huur gezien maar als bijdrage aan de huishoudkosten. Er was geen sprake van een commerciële of kostgangersrelatie.
Daarom was de intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 november 2003 terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 november 2003 wordt bevestigd omdat vanaf die datum sprake was van een gezamenlijke huishouding.