ECLI:NL:CRVB:2009:BH2364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling met voldoende medische grondslag
Appellante, werkzaam als verkoopster slagerij, ontving sinds 1993 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2006 door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellante geschikt was voor bepaalde functies met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, waarna haar uitkering werd ingetrokken.
In de bezwaarprocedure bevestigden medische en arbeidskundige rapportages deze beoordeling, waarna het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank vernietigde dit besluit echter wegens onvoldoende onderbouwing van de arbeidskundige beperkingen, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom zij geschikt zou zijn voor de functies, met name vanwege concentratieproblemen en contact met vloeistoffen. De Raad oordeelde dat het UWV in de beroepsfase voldoende inzicht, toetsbaarheid en onderbouwing had gegeven, en dat appellante geschikt werd geacht voor de functies.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, omdat het bestreden besluit in hoger beroep van een deugdelijke motivering was voorzien.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.