ECLI:NL:CRVB:2009:BH2446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking WAO-uitkering en beëindiging ziekengeld door UWV
Appellante betwistte het besluit van het UWV tot intrekking van haar WAO-uitkering en het besluit tot beëindiging van haar ziekengeld. De rechtbank had beide beroepen ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren.
De Raad oordeelde dat de medische grondslag van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering juist was en dat het medisch advies van Groenewegen onvoldoende overtuigend was, mede omdat Groenewegen appellante niet zelf had onderzocht. Ook werd geoordeeld dat conditionering en gewoontevorming niet als ziekte-uitingen konden worden aangemerkt. De arbeidskundige toelichting maakte inzichtelijk dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
Met betrekking tot het ziekengeld bevestigde de Raad het oordeel dat appellante geen recht meer had op ziekengeld, mede gelet op de medische bevindingen omtrent haar lichamelijke klachten. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De rechtsgevolgen van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering bleven echter in stand.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.