ECLI:NL:CRVB:2009:BH2451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- C.G.M. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1983 bijstand als alleenstaande ouder, welke zij in 2004 op eigen verzoek beëindigde. Na onderzoek door de sociale recherche concludeerde het College dat appellante en haar partner vanaf 13 december 2003 een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl appellante dit niet had gemeld. Het College trok daarop de bijstand over de periode 1997 tot 2004 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dit standpunt, maar de Raad stelde vast dat de onderzoeksresultaten, waaronder verklaringen van de partner, waterverbruik en postbezorging, voldoende bewijs boden voor het gezamenlijke hoofdverblijf. De Raad oordeelde dat appellante als gehuwd moest worden beschouwd en daarom geen recht had op bijstand als alleenstaande ouder.
De Raad verwierp het verweer dat een strafrechtelijke veroordeling voor valsheid in geschrifte over een deelperiode het bestuursrechtelijk oordeel zou beïnvloeden, omdat het bestuursrecht een andere rechtsvraag betreft. Ook het beleid van het College bij intrekking werd als redelijk beoordeeld. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstandsuitkering bevestigd.