ECLI:NL:CRVB:2009:BH3381

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3693 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening gronden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens te late indiening van de gronden van het beroep. Het bestreden besluit van het Uwv verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.

De rechtbank oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat het te laat indienen van de gronden verschoonbaar was, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant bracht in hoger beroep medische stukken ter ondersteuning van zijn stelling dat hij niet volledig kon werken.

De Centrale Raad van Beroep stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring. De inhoudelijke kwesties blijven buiten beschouwing omdat de ontvankelijkheid centraal staat. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

08/3693 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 mei 2008, 08/1268 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 7 januari 2009, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 4 februari 2008, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2007.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat op grond van de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gronden van het beroep te laat zijn ingediend. Tevens is de rechtbank niet gebleken dat het te laat indienen van de gronden van het beroep verschoonbaar is te achten.
3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft daarbij aangegeven zichzelf niet in staat te achten om volledig te werken. Appellant heeft – ter ondersteuning van deze stelling – tal van medische stukken aan de Raad ter kennis gebracht.
4. Blijkens het verweerschrift schaart het Uwv zich achter het oordeel van de rechtbank.
5.1. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bij haar ingestelde beroep juist is.
5.2. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat de gronden van het beroep te laat zijn ingediend en dat niet is gebleken dat het te laat indienen van die gronden verschoonbaar is te achten. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt de Raad dan ook niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
Anders dan appellant veronderstelt, vallen inhoudelijke kwesties buiten het bestek van de onderhavige beoordeling.
5.3. Het hoger beroep is gelet op het vorenstaande vergeefs ingesteld. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Brand en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
CVG