ECLI:NL:CRVB:2009:BH3494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering recht op ziekengeld na herstel geschiktheid passende arbeid
Appellante was sinds 9 augustus 2000 gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na het hervatten van werkzaamheden voor acht uur per week meldde zij zich op 3 oktober 2005 ziek met ernstige hoofdpijnklachten. Het UWV besloot op 24 maart 2006 dat zij vanaf 27 maart 2006 geen recht meer had op Ziektewetuitkering, omdat zij geschikt werd geacht voor passende arbeid als telefoniste/receptioniste.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar lichamelijke en psychische klachten haar verhinderen duurzaam arbeid te verrichten. Zij overlegde medische rapportages, waaronder die van psychiater Hertroijs, die een pijnsyndroom constateerde maar niet de beperkingen bevestigde zoals door de bezwaarverzekeringsarts werd beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de maatstaf van passende arbeid geldt, waarbij de functie telefoniste/receptioniste als maatstaf is genomen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, oordeelt dat de medische gegevens geen aanleiding geven tot twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en concludeert dat appellante terecht geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 27 maart 2006.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld per 27 maart 2006 wordt bevestigd.