ECLI:NL:CRVB:2009:BH3878

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2086 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische en arbeidskundige herbeoordeling

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 2000 een WAO-uitkering wegens klachten aan de rechteronderarm. Na een herbeoordeling in 2005 werd haar uitkering verlaagd, maar dit besluit werd wegens onzorgvuldigheid teruggedraaid. Een nieuwe herbeoordeling in 2006 leidde tot intrekking van de uitkering, wat door het UWV werd gemotiveerd met medische beperkingen en passende functies volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

De rechtbank oordeelde dat het besluit van het UWV voldoende was gemotiveerd en dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de voorgestelde functies. In hoger beroep betwistte appellante dit en voerde zij nieuwe medische informatie aan, waaronder brieven van haar orthopedisch chirurg en gegevens uit een letselschadezaak.

De Raad concludeerde dat deze nieuwe medische gegevens geen objectieve aanwijzingen bevatten die het eerdere oordeel zouden ondermijnen. De arbeidskundige onderbouwing was toereikend, waarbij drie functies als passend werden aangemerkt en een reservefunctie als alternatief diende. De klacht over een vermeende schending van het verbod op reformatio in peius werd verworpen omdat de nadelige situatie voortkwam uit een latere herbeoordeling en niet uit het bezwaar tegen het eerdere besluit.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden vonnis en verklaarde geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 25 maart 2006 wordt bevestigd.

Uitspraak

07/2086 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 maart 2007, 06/945 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J.R. Oude Middendorp, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Oude Middendorp. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J. Gerritsen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante, die werkzaam was als schoonmaakster, is met ingang van 9 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met klachten van de rechteronderarm.
1.2. Bij besluit van 10 maart 2005 is de WAO-uitkering van appellante per 11 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Wegens een onzorgvuldige medische beoordeling en een ongemotiveerde medische grondslag is het tegen het besluit van 10 maart 2005 ingediende bezwaar bij besluit van 8 juni 2005 kennelijk gegrond verklaard en is appellante per 11 mei 2005 onveranderd volledig arbeidsongeschiktheid geacht, onder de aankondiging dat een nieuwe beoordeling zal gaan plaatsvinden.
1.3. Als resultaat van een nieuwe herbeoordeling is bij besluit van 24 januari 2006 de WAO-uitkering van appellante per 25 maart 2006 ingetrokken. Bij besluit van 27 juni 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 24 januari 2006 ongegrond verklaard. Blijkens de gedingstukken ligt aan het besluit van 27 juni 2006 het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellante met lichamelijke beperkingen van de rechteronderarm, rug en rechterknie -als neergelegd in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML)- geschikt is voor het vervullen van functies waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het besluit van 27 juni 2006 op een toereikende medische grondslag berust. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Omdat het Uwv eerst in beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies voor appellante vanuit medisch oogpunt passend zijn, is de rechtbank overgegaan tot vernietiging van het besluit van 27 juni 2006 met het in stand laten van de rechtsgevolgen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 juni 2006 in stand zijn gelaten. Appellante heeft in essentie dezelfde gronden naar voren gebracht als in beroep bij de rechtbank. Kort samengevat voert appellante aan dat het Uwv de aard (er moeten ook psychische beperkingen worden vastgesteld) en de omvang van haar medische beperkingen van de rechteronderarm- en rechterknie heeft onderschat en zij medisch gezien niet geschikt is de haar voorgehouden functies te vervullen. Ter onderbouwing van de betwisting van de medische grondslag heeft appellante, naast medische informatie die reeds in de procedure bij de rechtbank door haar was overgelegd, brieven van de behandelend orthopaedisch chirurg A.K.H. ten Kate van 7 november 2006, 17 juli 2006, 24 juli 2007 en 2 oktober 2007 overgelegd alsmede informatie uit een lopende letselschadezaak.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Wat betreft de medische grondslag is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, onvoldoende grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellante. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake, waaraan hij het volgende toevoegt. Ook in de door appellante in hoger beroep nieuw ingebrachte medische gegevens heeft de Raad geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante per 25 maart 2006 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. De medische gegevens uit de letselschadezaak hebben enkel betrekking op de situatie van de rechteronderam in de periode 1998 tot en met 2001 en werpen geen nieuw licht op de medische situatie op de hier in geding zijnde datum. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de orthopaedisch chirurg Ten Kate van
7 november 2006 en 24 juli 2007 blijkt van een lichte chondropathie van de rechter knie, met welk gegeven de verzekeringsarts, mede op basis van desgevraagd verkregen informatie van de huisarts, rekening heeft gehouden bij het opstellen van de FML.
4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het besluit van 27 juni 2006 stelt de Raad vast dat gezien de in beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.F. van Wijngaarden van 13 november 2006 de schatting uiteindelijk is gebaseerd op de functies receptionist/baliemedewerker (sbc-code 315150), controleur/tester elektrotechnische apparatuur (sbc-code 267060) en produktiemedewerker textiel (sbc-code 272043). Als reservefunctie is onder meer geselecteerd de functie assistent consultatiebureau (sbc-code 372091).
De Raad is van oordeel dat het Uwv met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Van Wijngaarden van 13 november 2006 toereikend heeft gemotiveerd waarom de functies onder de sbc-codes 315150, 272043 en 372091 vanuit medisch oogpunt geschikt kunnen worden geacht voor appellante. Ten aanzien van de functie controleur/tester elektrotechnische apparatuur (sbc-code 267060) is de Raad er op grond van de door het Uwv gegeven toelichting niet van overtuigd geraakt dat deze functie voor wat betreft de belasting op aspect 4.13 binnen appellantes mogelijkheden valt. Het buiten beschouwing laten van de functie controleur/tester elektrotechnische apparatuur heeft geen gevolgen voor de schatting, nu in plaats van die functie de reservefunctie assistent consultatiebureau als grondslag voor de schatting kan dienen, waarmee onveranderd een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% bestaat.
De Raad voegt aan het voorgaande toe dat de niet correcte invulling van de FML op de aspecten 4.9 -zoals door de rechtbank naar het oordeel van de Raad reeds terecht was vastgesteld- en 5.11, welke laatste beperking, zoals door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is verklaard, had moeten worden opgenomen bij de aspecten 4.19 en 5.9, geen gevolgen met zich brengt. Immers, in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Van Wijngaarden van 13 november 2006 is genoegzaam toegelicht dat noch de belastbaarheid van appellante op het aspect frequent reiken wordt overschreden noch de aspecten lopen en staan tezamen meer dan 4 uur per dag voorkomen in de functies.
4.3. Ter zitting is namens appellante nog gesteld dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het verbod van ‘reformatio in peius’ nu appellante door het maken van bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2005, waarbij de WAO-uitkering per 11 mei 2005 was herzien naar 65-80%, uiteindelijk ten gevolge van de nieuwe besluitvorming per 25 maart 2006, waarbij appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht, in een nadeliger positie is komen te verkeren dan voor het instellen van bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2005.
De Raad overweegt dat deze grief niet slaagt. Het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2005 heeft louter betrekking op de WAO-rechten van appellante per 11 mei 2005. Nu appellante per die datum alsnog voor 80-100% arbeidsongeschikt is geacht, is appellante door het maken van bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2005 niet in een nadeliger positie komen te verkeren. Het gegeven dat appellante nadien ten gevolge van een nieuwe herbeoordeling per een latere datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht, staat in juridische zin los van de besluitvorming per 11 mei 2005 en het tegen het besluit van 10 maart 2005 aangewende rechtsmiddel.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4.5 Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
JL