ECLI:NL:CRVB:2009:BH3880

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1983 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering passendheid functies

Appellante, die sinds 1998 vanwege RSI- en psychische klachten niet meer werkte, kreeg vanaf 1999 een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in 2005 in, stellende dat zij in staat was gangbare werkzaamheden te verrichten. Dit besluit was gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige rapportages en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2005.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het bezwaarbesluit van 2006 ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische beperkingen niet in staat was tot arbeid. Zij overhandigde brieven van haar psychiater ter onderbouwing. Het UWV reageerde met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig was en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid zoals vastgesteld in 2005. De psychiater verwijst naar latere verslechteringen, die niet relevant zijn voor de situatie in 2005. Wel oordeelt de Raad dat het UWV in hoger beroep pas voldoende heeft gemotiveerd waarom de functies passend zijn, zodat het besluit van 17 mei 2006 wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven.

De Raad vernietigt daarom het besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

07/1983 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 maart 2007, 06/1403 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L. Mijnssen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009. Zoals aangekondigd is appellante niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen drs. G.A. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft haar werkzaamheden als telefoniste/receptioniste op 29 september 1998 gestaakt in verband met RSI-klachten en psychische klachten. Met ingang van 27 september 1999 is aan haar een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft het Uwv deze uitkering per 26 oktober 2005 ingetrokken op de grond dat, rekening houdend met de bij appellante bestaande medische arbeidsbeperkingen, zij in staat wordt geacht gangbare werkzaamheden te verrichten, met welke werkzaamheden zij een zodanig inkomen kan verwerven dat geen verlies aan verdiencapaciteit meer resteert.
1.3. Dit besluit is onder meer gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige rapportages van 6 april 2005 en 22 augustus 2005. In het kader van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is op verzoek van het Uwv appellante onderzocht door de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort, die op 2 februari 2005 heeft gerapporteerd. Appellante is op onderdelen beperkt geacht voor wat betreft haar persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2005. In de rapportage van 6 april 2005 is gesteld dat de actuele belastbaarheid van appellante met betrekking tot arbeid niet wezenlijk verschilt van haar belastbaarheid voor haar uitval in 1998.
1.4. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het Uwv op basis van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige van 15 maart 2006, onderscheidenlijk 4 mei 2006 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 augustus 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard.
3.1. Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen deze uitspraak. Daarbij heeft zij gesteld dat zij in verband met psychische beperkingen niet voldoende in staat is haar dagelijks leven in te delen en daaraan vorm te geven en dat zij zeker niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante de Raad doen toekomen brieven, gedateerd 23 september 2008 en 29 december 2008 van de psychiater A.K. Smilde, verbonden aan GGZ Friesland.
3.2. Op de brief van psychiater Smilde van 23 september 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts met een rapportage van 4 november 2008 gereageerd. Voorts heeft het Uwv desgevraagd een nadere toelichting gegeven op de in het resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op de brief van de psychiater Smilde van 29 december 2008 overgebracht.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het aan het besluit van 17 mei 2006 ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet als onzorgvuldig kan worden aangemerkt. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare medische gegevens, waaronder in het bijzonder het rapport van Van Zandvoort, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid van appellante op 26 oktober 2005, zoals neergelegd in de FML van 6 april 2005. De informatie van de psychiater Smilde maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 4 november 2008 genoegzaam uiteengezet dat deze informatie niet ziet op de gezondheidssituatie van appellante op 26 oktober 2005. Bepaalde gebeurtenissen van na die datum hebben kennelijk geleid tot decompensatie bij appellante. In het bijzonder blijkt uit de informatie van de psychiater Smilde niet dat de constatering in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 6 april 2005 dat de actuele belastbaarheid van appelante niet wezenlijk verschilt van haar belastbaarheid ten tijde van haar uitval, voor onjuist moet worden gehouden.
4.3. De Raad overweegt voorts dat, mede gelet op de in hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapportage en uitgaande van de juistheid van de FML van 6 april 2005, naar zijn oordeel appellante op 26 oktober 2005 in staat moet zijn geweest de bij het besluit van 17 mei 2006 in aanmerking genomen functies te vervullen.
4.4. Het vorenstaande neemt evenwel niet weg dat, nu eerst in hoger beroep een voldoende motivering is gegeven over de passendheid van de functies, de Raad van oordeel is dat het besluit van 17 mei 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan worden gelaten. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
4.5. Gelet op het hiervoor onder 4.2 en 4.3 overwogene acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
5. Voorts acht de Raad termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 mei 2006;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 144,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
JL