ECLI:NL:CRVB:2009:BH3882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3190 WAO + 07-3888 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanzegging functies en herziening WAO-uitkering na medische bijstelling

Betrokkene kreeg een WAO-uitkering ingetrokken en later herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid op basis van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV stuurde het besluit en de nieuwe FML alleen aan de gemachtigde van betrokkene, niet rechtstreeks aan betrokkene zelf.

De rechtbank vernietigde het besluit omdat betrokkene niet zelf was geïnformeerd over de aangepaste FML en de nieuwe functies waarop de herziening was gebaseerd, wat strijdig was met het zorgvuldigheidsbeginsel en de vereiste uitlooptermijn van twee maanden.

In hoger beroep bevestigde de Raad dat de medische grondslag van het besluit deugdelijk was, maar dat de aanzegging van functies uitsluitend aan de gemachtigde niet voldeed als startpunt van de uitlooptermijn. De Raad oordeelde dat voldoende is dat de nieuwe functies aan betrokkene bekend zijn geworden, wat hier uiterlijk op 1 oktober 2006 het geval was.

De Raad bevestigde de vernietiging van het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het UWV-besluit en beveelt een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

07/3190 WAO + 07/3888 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2007, 06/2832 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 20 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Partijen zijn op daartoe bij beroepschrift respectievelijk aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak.
Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend.
Betrokkene heeft bij faxbericht van 22 december 2008 de beroepsgronden nader aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009. Voor betrokkene is verschenen mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken, met juistheid heeft weergegeven.
1.2. De Raad vermeldt hier dat het Uwv bij besluit van 21 maart 2006 de laatstelijk aan betrokkene naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering met ingang van 21 mei 2006 heeft ingetrokken. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 23 augustus 2006 heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het daartegen gemaakt bezwaar, de intrekking per 21 mei 2006 ongedaan gemaakt, de WAO-uitkering voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en deze met ingang van 24 oktober 2006 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.3. De bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft aan de hand van de zich in het dossier bevindende medische gegevens, zijn eigen onderzoek van betrokkene en de van de behandelende revalidatiearts verkregen inlichtingen aanleiding gezien de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 februari 2006 bij te stellen. De bezwaararbeidsdeskundige J.H.M. Veugelaers is vervolgens bij rapport van 22 augustus 2006 tot de conclusie gekomen dat er te weinig functies resteerden om de schatting te dragen, omdat deze niet in overeenstemming waren met de nieuw opgestelde FML. Op basis van zes door hem geselecteerde functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige het verlies aan verdienvermogen van betrokkene gesteld op 16,6%. Geadviseerd is per toekomende datum de WAO-uitkering van betrokkene te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarop is het bestreden besluit genomen. Toezending van dit besluit met als bijlagen de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, de nieuwe FML van 21 augustus 2006 en de onderliggende CBBS-gegevens van 22 augustus 2006 heeft uitsluitend aan de gemachtigde van betrokkene plaatsgevonden.
2. De rechtbank heeft het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, vernietigd. Weliswaar berustte het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag, maar zij heeft in de omstandigheid dat aan betrokkene niet zelf was bericht dat de schatting berustte op een aangepaste FML en dat daaraan geheel nieuwe functies ten grondslag zijn gelegd, aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 juni 2006, LJN AY2985), heeft de rechtbank geoordeeld dat met de aanzegging van geheel nieuwe functies aan alleen de gemachtigde van een betrokkene niet voldaan wordt aan de uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeiende eisen die aan zo een aanzegging moeten worden gesteld. Daarbij is in het bijzonder gedoeld op de inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden na de aanzegging alvorens de verlaging c.q. intrekking van de uitkering ingaat.
3.1. In hoger beroep heeft betrokkene aangevoerd - samengevat – dat hij door zijn slechte gezondheidstoestand niet in staat was tot het verrichten van arbeid, meer in het bijzonder van de werkzaamheden behorend bij de voorbeeldfuncties en dat hij op medische gronden volledig, althans voor meer dan 25%, arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat de door de rechtbank aangehaalde uitspraak niet vergelijkbaar is met het onderhavige geval. Hij heeft gewezen op andere rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 14 oktober 2005, LJN AU4764), waaraan te ontlenen valt dat met toezending van de nieuwe functieduiding aan de gemachtigde de uitlooptermijn een aanvang neemt.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit.
4.2. Betrokkene heeft in hoger beroep geen nieuwe gegevens van medische of andere aard ingezonden die twijfel doen rijzen aan de medische oordeelsvorming. Hij heeft nog doen wijzen op een aantal afspraken met betrekking tot de medische behandeling van zijn hielklachten, maar daaraan alleen kan de Raad niet ontlenen dat betrokkene de voor hem geschikt geachte werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. Het met die behandelingen samenhangende (ziekte)verzuim was ook niet zodanig frequent dat gezegd zou moeten worden dat sprake is van een zodanig excessief ziekteverzuim dat tewerkstelling van betrokkene van een werkgever niet viel te vergen.
4.3. De omstandigheid dat betrokkene bijna een jaar na de datum in geding weer een WAO-uitkering is verleend naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse doet aan het oordeel van de rechtbank evenmin af. Onweersproken is door het Uwv aangevoerd dat die verhoging samenhing met een toename van de medische beperkingen van betrokkene na de datum in geding.
5.1. Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de aanzegging van de functies, uitsluitend aan de gemachtigde van betrokkene, overweegt de Raad als volgt.
5.2. De Raad wijst op zijn uitspraak van 3 juli 2008, LJN BD6800, waarin aan de hand van eerdere rechtspraak van de Raad nog eens uitvoerig is uiteengezet dat een aanzegging van functies uitsluitend aan de gemachtigde van een betrokkene niet als startpunt van de uitlooptermijn kan gelden. Het hoger beroep van het Uwv dat een tegengesteld standpunt behelst slaagt gelet op deze rechtspraak niet. De Raad ziet geen reden thans tot een ander oordeel te komen.
5.3. In de hier bedoelde uitspraak is overigens de mogelijkheid opengelaten dat de uitlooptermijn op een later tijdstip aanvangt, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De gemachtigde heeft ter zitting meegedeeld dat hij na ontvangst van het bestreden besluit en de daarbij behorende bijlagen in de maand september 2006 en in elk geval voor 1 oktober 2006 dit heeft besproken met betrokkene. Daarbij zijn de door de bezwaararbeidsdeskundige geschikt geachte functies aan de orde geweest. De gemachtigde van betrokkene heeft er op gewezen dat hij niet tegenover betrokkene op de onderliggende CBBS-gegevens is ingegaan, omdat hij geen arbeidsdeskundige is en dit ook tot het kennisdomein van de arbeidsdeskundige behoort.
5.4. Dienaangaande overweegt de Raad dat voldoende is als de geschikt geachte nieuwe functies aan betrokkene bekend zijn geworden. Een verdergaande eis is in het kader van de aanzegging van functies met het oog op de in acht te nemen uitlooptermijn niet noodzakelijk. Dat betekent in het onderhavige geval dat de uitlooptermijn uiterlijk op
1 oktober 2006 een aanvang heeft genomen.
6. Uit al het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit is vernietigd, voor bevestiging in aanmerking komt met dien verstande dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hetgeen betrokkene bij verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent het niet houden van een tweede hoorzitting behoeft gelet hierop geen bespreking.
7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.L. de Gier.
KR