ECLI:NL:CRVB:2009:BH3886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende medische motivering in WAO-zaak
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard sinds 1994, kreeg in 2005 zijn WAO-uitkering ingetrokken door het UWV na herbeoordeling. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen aanleiding was het primaire medische oordeel te wijzigen, maar de Raad constateert dat de medische beperkingen onvoldoende zijn verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Dit betreft onder meer een onduidelijke urenbeperking vanwege behandelingen, de noodzaak van extra ondersteuning op de werkplek en beperkingen door aandacht- en concentratieproblemen.
De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit een onvoldoende draagkrachtige motivering bevat. De Raad wijst op de noodzaak van een nieuwe zorgvuldige beoordeling van de medische grondslag.
De Raad beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen, veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende medische motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.