ECLI:NL:CRVB:2009:BH4087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens geen verlenging verblijfsvergunning en geen gelijkstelling met Nederlander
Appellante heeft op 15 december 2005 algemene bijstand aangevraagd, welke door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 11 januari 2006 werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning of een verblijfstitel die recht gaf op bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat appellante van 1997 tot 2000 een verblijfsvergunning had onder de beperking verblijf bij haar echtgenoot, maar dat haar verzoek tot verlenging in 2001 was afgewezen wegens ontbinding van het huwelijk. Dit besluit was onherroepelijk geworden.
Latere aanvragen van appellante voor een verblijfsvergunning op andere gronden werden afgewezen en vormden nieuwe aanvragen, geen wijziging van de eerdere. De Raad oordeelde dat de gelijkstelling met een Nederlander op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB reeds was geëindigd vóór de bijstandsaanvraag in 2005, zodat appellante geen recht had op bijstand. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag van appellante om bijstand is terecht afgewezen wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het ontbreken van gelijkstelling met een Nederlander.