ECLI:NL:CRVB:2009:BH4357

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5084 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 6:13 AwbArt. 6:24 AwbArt. 4:84 AwbArt. 54 WWB
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-naleving inlichtingenplicht

Appellanten ontvingen bijstand tot december 2004, waarna het Dagelijks Bestuur een onderzoek startte naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand over de periode 2002-2004. Op basis van een analyse van het uitgavenpatroon, bankafschriften en verklaringen van appellant concludeerde het bestuur dat er vermoedelijk andere inkomstenbronnen waren die niet waren gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.

Appellant voerde aan dat hij financiële steun kreeg van familieleden en gokwinsten, maar kon dit niet met voldoende bewijs onderbouwen. Ook had hij niet voldaan aan zijn verplichting om alle relevante financiële gegevens te melden. Het bestuur handelde volgens het geldende beleid en de wet bij het intrekken en terugvorderen van de bijstand.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. Het hoger beroep van appellante werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen beroep had ingesteld bij de rechtbank. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard; het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

07/5084 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te Assen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 juli 2007, 06/112 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (ISD) (hierna: het Dagelijks Bestuur).
Datum uitspraak: 24 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. L.S. Slinkman, advocaat te Appingedam, hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 december 2008, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellanten ontvingen sinds 22 juni 2000 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is per 1 december 2004 beëindigd in verband met werkaanvaarding per die datum door appellant.
1.3. Op 18 augustus 2004 is aan het bureau sociale recherche, unit handhaving, regio Assen, verzocht een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht en is appellant op 8 november 2004 en 10 februari 2005 verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 maart 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 13 juli 2005 de bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 november 2004 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 43.695,70 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat het uitgavenpatroon van appellanten in relatie tot de inkomsten gedurende de betreffende periode zodanig was, dat er van uitgegaan moet worden dat zij de beschikking hadden over een andere bron van inkomsten dan wel vermogen, waaruit mede in de kosten van levensonderhoud kon worden voorzien, en dat zij van deze andere bron van inkomsten dan wel vermogen, geen melding hebben gemaakt aan de ISD. Gelet daarop kan volgens het Dagelijks Bestuur het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 november 2004 niet worden vastgesteld.
1.4. Bij besluit van 8 december 2005 heeft het Dagelijks Bestuur het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2005, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 december 2005 namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De gemachtigde van appellanten heeft bij een op 1 december 2008 om 14:13 uur per telefax verzonden brief aan de Raad meegedeeld dat hij en appellant niet aanwezig zullen zijn bij de zitting op 2 december 2008. Voorts bevat deze brief een aanvulling op de bij het hoger beroepschrift ingediende gronden. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Nu de brief van 1 december 2008 minder dan tien dagen voor de zitting bij de Raad is ingekomen en het Dagelijks Bestuur in zijn processuele belangen wordt geschaad doordat hij niet meer op de inhoud van deze brief heeft kunnen reageren, ziet de Raad aanleiding deze brief bij zijn beoordeling van het geschil buiten beschouwing te laten.
4.2. De Raad stelt vast dat, hoewel het besluit van 8 december 2005 gericht was aan appellant én appellante, bij het inleidend beroepschrift van 16 januari 2006 uitsluitend namens appellant tegen dit besluit beroep is ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat appellant mede namens appellante beroep heeft ingesteld. Het feit dat appellante en appellant ten tijde in geding met elkaar gehuwd waren noch de omstandigheid dat bijstand naar de norm voor gehuwden werd verleend, impliceert dat appellant geacht moet worden mede namens appellante te hebben geageerd. Uit het vorenstaande volgt dat appellante bij de rechtbank geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 8 december 2005. Nu niet is gebleken van omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat appellante niet verweten kan worden geen beroep te hebben ingesteld bij de rechtbank, dient het hoger beroep van appellante onder toepassing van de artikelen 6:13 en 6:24 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4.3. Het onder 1.3 weergegeven standpunt van het Dagelijks Bestuur is met name gebaseerd op het uitgavenpatroon van appellant zoals dat blijkt uit het overzicht dat is opgesteld aan de hand van de door appellant overgelegde afschriften van zijn bankrekening over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 november 2004. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat dit overzicht niet controleerbaar is nu de bankafschriften bij de stukken ontbreken. De afschriften zijn immers afkomstig van appellant zelf. Voorts heeft hij niet aangevoerd dat de op het overzicht vermelde bedragen als zodanig niet juist zijn.
4.4. Uit genoemd overzicht valt af te leiden dat er in de betreffende periode doorgaans meer werd uitgegeven dan er aan bijstand werd ontvangen. Zoals ook in het rapport van 21 maart 2005 is vermeld, valt op dat uit de bankafschriften niet is gebleken van overschrijvingen ten behoeve van de kosten van boodschappen en autobrandstof, tevens waren er geen betalingen zichtbaar in verband met de vakanties, was het onduidelijk hoe de koop van auto’s werd betaald, waren de opnames van geld zeer wisselend en is er niet gebleken van een toename van schuld die zich verhoudt met de uitgaven in relatie tot de inkomsten.
4.5. Appellant heeft tijdens de verhoren op 8 november 2004 en 10 februari 2005 met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven onder meer verklaard dat hij rekeningen, zoals de voorschotten van Essent, veelal contant betaalde, dat hij financieel werd ondersteund door zijn broer, die hem geld gaf en van wie hij geld leende en dat de vakanties eveneens werden betaald door zijn broer. Voorts heeft appellant verklaard dat hij als tegenprestatie wel eens hand- en spandiensten in de zaak van zijn broer (een coffeeshop) heeft verricht en dat hij dacht er een paar uur per week te werken. Ook heeft hij verklaard dat hij rekeningen contant betaalde met het geld dat hij verdiende door te gokken. In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij van zijn vader een geldbedrag van 40.000,-- YTL (ongeveer € 25.000,--) heeft geleend. Hij heeft deze bewering gestaafd met een afschrift van een in Turkije op 28 januari 2005 opgestelde notariële akte van schuldbekentenis. In hoger beroep heeft hij een vertaling van deze akte overgelegd.
4.5.1. Appellant heeft zijn verklaringen niet met aanvaardbare bewijsstukken ondersteund. Dat de broer van appellant geld aan hem schonk dan wel leende is niet door de broer bevestigd. De overgelegde akte van schuldbekentenis bevat slechts een eenzijdige verklaring van appellant die niet door zijn vader is ondersteund. De akte is bovendien opgemaakt na de in geding zijnde periode en uit de inhoud daarvan blijkt niet dat de lening is aangegaan in de in geding zijnde periode. Appellant heeft daarnaast geen enkel inzicht gegeven in de omvang van zijn gokactiviteiten en de opbrengst die daaruit voortvloeide. Het aan het overzicht ontleende vermoeden dat er een andere inkomstenbron moest zijn was dan ook gerechtvaardigd. Aan de stelling van appellant dat het overzicht een vertekend beeld geeft omdat de uitgaven over de maanden maart en september 2004 ten onrechte zijn meegenomen, gaat de Raad dan ook voorbij.
4.6. Vaststaat dat appellant op de daarvoor bestemde maandelijkse rechtmatigheidsonderzoeksformulieren en op de heronderzoeksformulieren Abw geen melding heeft gemaakt van de gokwinsten, de giften of van bij zijn familie afgesloten leningen. Uit de stukken is voorts niet gebleken dat appellant daarvan op andere wijze melding heeft gemaakt. Het betoog dat hij niet wist en kon weten dat hij deze giften, winsten en leningen diende op te geven, faalt. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze van belang kunnen zijn voor de omvang van het recht op bijstand. Het betoog dat de ISD hem al in een eerder stadium bij de heronderzoeken op onduidelijkheden had kunnen wijzen, faalt eveneens, nu appellant gehouden is alle feiten of omstandigheden waar niet uitdrukkelijk naar wordt gevraagd - maar die wel van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand - uit eigen beweging te melden. Het betoog dat appellant onvoldoende Nederlands spreekt zodat de ISD zich ervan had dienen te vergewissen of hij begreep waaraan hij diende te voldoen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat appellant aan de ISD niet heeft laten weten niet te begrijpen wat van hem werd verlangd, had het op zijn weg gelegen om, indien hij dit inderdaad niet had begrepen, ter zake hulp te zoeken om daarover duidelijkheid te verkrijgen.
4.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Door onvoldoende openheid van zaken te geven heeft hij een zodanige onduidelijke situatie geschapen met betrekking tot zijn financiële positie dat daardoor niet is vast te stellen of er recht dan wel aanvullend recht op bijstand bestond. Gelet hierop was het Dagelijks Bestuur bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 november 2004. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De omstandigheid dat de strafkamer van de rechtbank zoals uit het vonnis van 20 januari 2006 blijkt, bij het bepalen van de hoogte van de strafmaat er rekening mee heeft gehouden dat onvoldoende vaststaat dat het recht op uitkering volledig zou zijn verspeeld indien appellant openheid van zaken zou hebben gegeven, doet daaraan niet af. Nog daargelaten dat volgens vaste rechtspraak aan een strafrechtelijk vonnis in een bestuursrechtelijke procedure geen beslissende betekenis toekomt, vaststaat dat appellant die openheid van zaken niet heeft gegeven.
4.8. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan zodat het Dagelijks Bestuur bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen van appellant.
Het Dagelijks Bestuur hanteert het beleid dat het in gevallen waarin op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB een bevoegdheid tot terugvordering bestaat, van terugvordering van de kosten van bijstand afziet indien de terugvordering zou leiden tot onaanvaardbare of sociale consequenties bij belanghebbende of diens gezin. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Appellant heeft weliswaar gesteld dat terugvordering voor hem onaanvaardbare sociale en financiële consequenties heeft, maar heeft deze stelling niet onderbouwd en voorts is de Raad niet van een dergelijke onaanvaardbare situatie gebleken. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. De Raad stelt gelet daarop vast dat het Dagelijks Bestuur in overeenstemming met zijn ten tijde van het besluit van 8 december 2005 geldende beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.10. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2009.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
IJ