ECLI:NL:CRVB:2009:BH4379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding voor 1 november 2004
Appellant ontving vanaf 1 januari 2000 bijstand als alleenstaande. Het College van B&W Utrecht trok deze bijstand in per 1 januari 2000 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [K.], wat volgens het College leidde tot een hoger gezamenlijk inkomen dan de norm voor alleenstaanden. Tevens werd de bijstand teruggevorderd over de periode 2000-2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de onderzoeksbevindingen het standpunt van het College konden dragen en dat de getuigenverklaringen van appellant minder zwaar wogen. Appellant stelde in hoger beroep dat de intrekking onterecht was, onder meer vanwege de wijze van getuigenverhoor en het ontbreken van bewijs voor gezamenlijke huishouding in de gehele periode.
De Raad overwoog dat het niet beëdigd horen van getuigen niet onrechtmatig was en dat de verklaringen in het proces-verbaal overeenstemden met wat de getuigen hadden verklaard. De Raad concludeerde dat appellant vanaf 1 november 2004 zijn hoofdverblijf had bij [K.] en daarmee de intrekking vanaf die datum terecht was. Voor de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2004 was er echter onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding. Hierdoor kon de intrekking voor die periode niet standhouden en werd het besluit vernietigd. De terugvordering werd eveneens vernietigd als één geheel, met de opdracht aan het College een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed.
Uitkomst: Intrekking bijstand wordt vernietigd voor periode tot 1 november 2004 en bevestigd vanaf die datum; terugvordering wordt geheel vernietigd.