ECLI:NL:CRVB:2009:BH4714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst - Hagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen toekenning WAZ-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%
Appellant diende een aanvraag in voor een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, waarbij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag werd vastgesteld op 1 september 2003. De rechtbank had het bezwaar tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaard, maar het beroep van appellant deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen.
In hoger beroep voerde appellant medische en arbeidskundige grieven aan, maar slaagde er niet in de medische beoordeling te weerleggen. De Raad bevestigde dat er geen medische gronden waren om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder te stellen dan 1 september 2003. Wel werd vastgesteld dat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende was, met name door onduidelijkheid over de functies die ten grondslag lagen aan de loonwaardeschatting.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht het maatmaninkomen had berekend op basis van fiscale gegevens uit 2000-2002, maar dat de functies die waren gebruikt voor de loonwaardebepaling niet actueel en passend waren. Na correctie van de functies en toepassing van de juiste reductiefactor bleek de mate van arbeidsongeschiktheid te liggen tussen 65-80%, hoger dan eerder vastgesteld.
De Raad vernietigde daarom de eerdere uitspraak voor zover aangevochten, veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de overwegingen uit deze uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid wordt verhoogd naar 65-80%.