ECLI:NL:CRVB:2009:BH4797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- H. Bedee
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opheffing schorsing en voortzetting Wajong-uitkering bij arbeidsongeschiktheid 80-100%
Appellante was sinds 27 november 1989 in aanmerking gekomen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Deze uitkering werd in 1995 ingetrokken vanwege samenloop met een Algemene nabestaandenwet-uitkering. Na wijzigingen in de wet en een verzoek van appellante werd de uitkering heropend en omgezet naar een Wajong-uitkering per 1 januari 1998, eveneens met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. De uitbetaling van deze Wajong-uitkering werd later geschorst.
Het Uwv handhaafde in het bestreden besluit van 13 maart 2003 de opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering en de voortzetting daarvan ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ten onrechte een Wajong-uitkering ontving en dat zij in plaats daarvan aanspraak had op een WAO-uitkering. Zij stelde dat de opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering moest worden opgevat als opheffing van de schorsing van de WAO-uitkering.
De Raad overwoog dat de grieven betreffende aanspraken op een WAO-uitkering niet aan de orde waren, omdat het bestreden besluit uitsluitend ging over de Wajong-uitkering. Appellante had geen zelfstandige grieven tegen de opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering en de voortzetting daarvan. Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.