Art. 8:75 AwbAlgemene arbeidsongeschiktheidswetWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicaptenAlgemene nabestaandenwetWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging opheffing schorsing en voortzetting Wajong-uitkering bij arbeidsongeschiktheid 80-100%
Appellante was sinds 27 november 1989 in aanmerking gekomen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Deze uitkering werd in 1995 ingetrokken vanwege samenloop met een Algemene nabestaandenwet-uitkering. Na wijzigingen in de wet en een verzoek van appellante werd de uitkering heropend en omgezet naar een Wajong-uitkering per 1 januari 1998, eveneens met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. De uitbetaling van deze Wajong-uitkering werd later geschorst.
Het Uwv handhaafde in het bestreden besluit van 13 maart 2003 de opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering en de voortzetting daarvan ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ten onrechte een Wajong-uitkering ontving en dat zij in plaats daarvan aanspraak had op een WAO-uitkering. Zij stelde dat de opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering moest worden opgevat als opheffing van de schorsing van de WAO-uitkering.
De Raad overwoog dat de grieven betreffende aanspraken op een WAO-uitkering niet aan de orde waren, omdat het bestreden besluit uitsluitend ging over de Wajong-uitkering. Appellante had geen zelfstandige grieven tegen de opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering en de voortzetting daarvan. Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitspraak
05/2055 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2005, 03/1885 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft op 9 september 2008 nog verscheidene stukken van appellante ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2008, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Madern, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is door de rechtsvoorganger van het Uwv (hierna eveneens: Uwv) met ingang van 27 november 1989 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Deze uitkering is door het Uwv, in verband met toekenning aan appellante van een uitkering krachtens de Algemene weduwen- en wezenwet (later Algemene nabestaandenwet), ingetrokken met ingang van 1 juni 1995 omdat samenloop van deze uitkeringen destijds niet mogelijk was. Na een wijziging van de Algmene nabestaandenwet en een verzoek daartoe van appellante heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante heropend. Het Uwv heeft appellante in verband met de vervanging van de AAW door de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 januari 1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge die wet, naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. De uitbetaling van deze uitkering is later op enig moment geschorst.
2. Bij het thans bestreden besluit van 13 maart 2003 heeft het Uwv, voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil, zijn besluit van 3 september 2001 gehandhaafd waarbij appellante is medegedeeld dat de schorsing van haar uitkering ingevolge de Wajong wordt opgeheven en dat de uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank gekeerd. Appellante heeft - kort gezegd - gesteld dat door het Uwv een administratieve vergissing is gemaakt en dat zij in plaats van een Wajong-uitkering een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) had behoren te ontvangen. De opheffing van de schorsing van de Wajong-uitkering dient naar het oordeel van appellante dan ook opgevat te worden als de opheffing van de schorsing van de WAO-uitkering.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de grieven van appellante betreffende de gestelde aanspraken op een WAO-uitkering in dit geding niet aan de orde kunnen komen nu bij het thans bestreden besluit uitsluitend beslissingen zijn gegeven over de opheffing van de schorsing, de hoogte en de uitbetaling van de Wajong-uitkering van appellante. Appellante heeft geen zelfstandige grieven aangevoerd tegen het opheffen van de schorsing van de Wajong-uitkering en de ongewijzigde voortzetting ervan naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - bevestigd dient te worden.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.