ECLI:NL:CRVB:2009:BH4979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid
Appellante was sinds eind 2002 werkzaam als schoonmaakster en meldde zich in januari 2005 ziek vanwege diverse gezondheidsklachten. Na beëindiging van haar dienstverband begon zij in mei 2005 als inpakster bij een kippenslachterij, waar zij zich in augustus 2005 opnieuw ziek meldde wegens een handblessure.
Het UWV beëindigde haar recht op ziekengeld per 1 juni 2005 en 1 september 2005, omdat zij volgens verzekeringsartsen niet langer ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij vanaf genoemde data geschikt was voor haar werkzaamheden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij nog steeds ongeschikt was en dat de hersteldverklaring ten onrechte met terugwerkende kracht was gegeven. De Raad overwoog dat de maatstaf van arbeid correct was toegepast en dat appellante tijdig telefonisch op de hoogte was gesteld van de beëindiging van haar recht op uitkering.
De medische rapportages van de bezwaarverzekeringsarts bevestigden dat appellante vanaf 1 juni 2005 lichte schoonmaakwerkzaamheden en vanaf 1 september 2005 het inpakwerk kon verrichten. Er waren geen acute gezondheidsproblemen die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het recht op ziekengeld terecht werd beëindigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het recht op ziekengeld per 1 juni en 1 september 2005 wordt bevestigd.