ECLI:NL:CRVB:2009:BH5180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering bij bepaling maatmaninkomen zelfstandige
Appellant, een zelfstandig aannemer, verzocht het UWV om een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid sinds oktober 2003. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht en berekende het maatmaninkomen op basis van de door de fiscus aanvaarde netto winst over de drie boekjaren voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Appellant voerde in beroep aan dat een referteperiode van vijf jaar gehanteerd moest worden, zoals volgens hem volgt uit de parlementaire geschiedenis van de WAZ, om zo een beter beeld van het inkomen te krijgen. De rechtbank oordeelde dat de jurisprudentie van de Raad, die uitgaat van drie jaar als referteperiode, juist is en dat geen bijzondere omstandigheden tot afwijking leiden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad concludeerde dat er geen reden is om de bestaande jurisprudentie te wijzigen. De hogere nettowinst in de jaren 1998 en 1999 kon worden toegeschreven aan normale ondernemersrisico’s en rechtvaardigde geen afwijking van de driejaarstermijn.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.