ECLI:NL:CRVB:2009:BH5180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2334 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WAZArt. 4 WAZArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering bij bepaling maatmaninkomen zelfstandige

Appellant, een zelfstandig aannemer, verzocht het UWV om een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid sinds oktober 2003. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht en berekende het maatmaninkomen op basis van de door de fiscus aanvaarde netto winst over de drie boekjaren voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

Appellant voerde in beroep aan dat een referteperiode van vijf jaar gehanteerd moest worden, zoals volgens hem volgt uit de parlementaire geschiedenis van de WAZ, om zo een beter beeld van het inkomen te krijgen. De rechtbank oordeelde dat de jurisprudentie van de Raad, die uitgaat van drie jaar als referteperiode, juist is en dat geen bijzondere omstandigheden tot afwijking leiden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad concludeerde dat er geen reden is om de bestaande jurisprudentie te wijzigen. De hogere nettowinst in de jaren 1998 en 1999 kon worden toegeschreven aan normale ondernemersrisico’s en rechtvaardigde geen afwijking van de driejaarstermijn.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

07/2334 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 maart 2007, 06/4179
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.C.M. Suijkerbuijk, werkzaam bij Stichting Belangen Organisatie Zelfstandige Zonder Personeel te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Suijkerbuijk, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, die voor zijn uitval werkzaam was als zelfstandig aannemer, heeft bij het Uwv op 14 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd in verband met sedert 13 oktober 2003 ingetreden arbeidsongeschiktheid.
2. Het Uwv heeft bij besluit van 28 januari 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 4 april 2006 (hierna: het bestreden besluit), geweigerd appellant per 11 oktober 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt te achten was. Bij de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit van appellant is het Uwv voor de bepaling van het maatmaninkomen uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde netto winst die appellant met zijn bedrijf heeft behaald in de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
3. Appellant heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het Uwv voor de bepaling van het maatmaninkomen ten onrechte een refertetermijn van drie jaar heeft gehanteerd, welk termijn is ontwikkeld in de jurisprudentie van de Raad. Voor de bepaling van het maatmaninkomen dient naar de mening van appellant aansluiting gezocht te worden bij het gestelde in artikel 8, tweede lid, onder b, juncto artikel 4 van Pro de WAZ, en dient, evenals bij de vaststelling van de grondslag van de uitkering, een referteperiode van vijf jaar gehanteerd te worden. Een dergelijke referteperiode zou volgens appellant een beter beeld geven van het inkomen van een zelfstandige. Appellant heeft in dit verband gesteld dat de Raad in de parlementaire geschiedenis, die heeft geleid tot het opnemen van een referteperiode van vijf jaar in artikel 8, tweede lid, onder b, van de WAZ, aanleiding had moeten zien om zijn jurisprudentie te herzien met betrekking tot de duur van de voor de bepaling van het maatmaninkomen te hanteren referteperiode. In het geval van appellant leidt toepassing van een referteperiode van vijf jaar, gelet op de behaalde netto winst over de jaren 1998 en 1999, tot aanspraak op een WAZ-uitkering, aldus appellant.
4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak allereerst overwogen dat hetgeen appellant ter zitting met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft gesteld buiten de beoordeling valt, omdat appellant deze gronden eerst ter zitting heeft aangevoerd. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv het maatmaninkomen van appellant heeft vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met het uitgangspunt van de Raad, zoals verwoord in zijn uitspraak van 11 januari 2005, LJN AS5650, dat voor de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is steeds als uitgangspunt moet gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Van dit uitgangspunt kan slechts afgeweken worden in zeer bijzondere gevallen waarin evident is dat de referteperiode van drie jaar geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit van de gezonde zelfstandige. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van appellant geen sprake. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak, verder overwogen dat artikel 8 van Pro de WAZ geen voorschriften bevat met betrekking tot de wijze waarop het maatmaninkomen dient te worden berekend, maar dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op de grondslag waarop de uitkering dient te worden berekend. Pas nadat met behulp van onder andere het berekende maatmaninkomen het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld, komt de grondslag van de uitkering en daarmee de referteperiode van vijf boekjaren in beeld om de uiteindelijke hoogte van de uitkering te bepalen. De rechtbank heeft daarop vastgesteld dat het Uwv bij de bepaling van het maatmaninkomen op goede gronden is uitgegaan van de door de fiscus goedgekeurde winst over de jaren 2000, 2001 en 2002 en heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
5. Appellant heeft in hoger beroep zijn in beroep aangevoerde grieven in essentie herhaald. Ter zitting van de Raad heeft appellant nogmaals toegelicht dat hij met zijn grieven beoogt te bewerkstelligen dat de Raad zijn jurisprudentie met betrekking tot de referteperiode bij de vaststelling van het maatmaninkomen wijzigt.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. De Raad stelt allereerst vast dat het geschilpunt tussen partijen in hoger beroep zich beperkt tot de vraag van welke referteperiode uitgegaan dient te worden bij de bepaling van het maatmaninkomen.
6.3. De Raad is op de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak genoemde overwegingen van oordeel dat bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel uitgegaan dient te worden van de door de fiscus aanvaarde netto winst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld geen argumenten om zijn jurisprudentie te herzien.
6.4. De Raad is verder, evenals de rechtbank, niet gebleken dat zich in het geval van appellant een zodanige bijzondere situatie voordoet dat afwijking van de referteperiode van drie jaar is aangewezen. De door appellant behaalde nettowinst in de jaren 1998 en 1999 was weliswaar hoger dan in de drie daarop volgende jaren, maar het is de Raad niet gebleken dat dit zijn oorzaak vindt in redenen die liggen buiten het normale ondernemersrisico. Het Uwv is derhalve terecht voor de bepaling van het maatmaninkomen uitgegaan van de netto winst van appellant over de jaren 2000, 2001 en 2002.
7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL