ECLI:NL:CRVB:2009:BH5184

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-213 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak rechtbank inzake WAO-uitkering na onjuiste artsbeoordeling

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond die het besluit tot herziening van een WAO-uitkering vernietigde. De rechtbank stelde dat het medische onderzoek niet door een geregistreerde verzekeringsarts was uitgevoerd, waardoor het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door dit punt ambtshalve te beoordelen, aangezien dit niet door betrokkene was aangevoerd en het geen punt van openbare orde betreft. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat het ontbreken van een verzekeringsarts niet ambtshalve beoordeeld wordt.

De Raad beoordeelt vervolgens de overige beroepsgronden en stelt vast dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, gebaseerd op dossierstudie en observatie, de beperkingen van betrokkene adequaat weergeeft. De stellingen van betrokkene over toegenomen beperkingen worden niet onderbouwd met objectiveerbare medische gegevens. Ook de arbeidskundige beoordeling dat betrokkene voldoet aan de opleidingseisen voor de geduide functies wordt onderschreven.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee het besluit tot herziening van de WAO-uitkering in stand blijft.

Uitspraak

07/213 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 december 2006, 06/1149 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft geen verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008. Appellant was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van appellant van 16 mei 2006 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van betrokkene tegen de intrekking van de WAO-uitkering per 13 februari 2006 bij besluit van 12 december 2005 gegrond is verklaard en de WAO-uitkering alsnog is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gericht tegen het besluit van 16 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en besluiten genomen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de medische advisering die ten grondslag ligt aan het besluit van 16 mei 2006 niet op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden.
De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat betrokkene voorafgaand aan het besluit van 12 december 2005 niet is onderzocht door een als verzekeringsarts geregistreerde arts.Ook voorafgaand aan het besluit van 16 mei 2006 heeft zo’n onderzoek niet plaatsgevonden, daar de bezwaarverzekeringsarts zich heeft beperkt tot het verrichten van dossierstudie en aanwezigheid bij de hoorzitting.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit van 12 december 2005 volgens de geldende regels, protocollen en richtlijnen is verricht en mitsdien een voldoende grondslag biedt om hierop de in geding zijnde schatting te baseren.Subsidiair heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het desbetreffende gebrek in het onderzoek in de loop van het besluitvormingstraject is hersteld.
4.1. De Raad overweegt ambtshalve het volgende.
4.2. Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en geen recht doet aan de feitelijke medische beperkingen. Zij acht zich toegenomen beperkt en niet in staat tot het fulltime verrichten van arbeid. Zij stelt forse fysieke klachten als gevolg van Sudeckse dystrofie aan de linker enkel en tevens aanzienlijke psychische klachten te ondervinden. Zij acht zich daarom niet in staat de geduide functies te vervullen. Voorts heeft zij gesteld niet te kunnen voldoen aan de opleidingsvereisten die gelden voor de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies met SBC-code 111180, 271092 en 315090.
4.3. De rechtbank heeft eigener beweging ter zitting aan de orde gesteld de vraag of de arts Sabel verzekeringsarts is en na ontkennende beantwoording daarvan het bestreden besluit vernietigd. Nu betrokkene dit punt niet aan de orde heeft gesteld noch geacht kan worden aan de orde te hebben willen stellen en dit punt niet van openbare orde is, is de rechtbank buiten de door artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgebakende omvang van het geding getreden.Dit betekent dat de aangevallen uitspraak reeds op die grond niet in stand kan blijven. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraken van 31 oktober 2008 (LJN BG3672) waarin hij onder verwijzing naar zijn uitspraken van 18 juli 2006 (onder meer LJN BA9909) heeft overwogen dat hij geen aanleiding heeft gevonden het aspect dat het primaire medische onderzoek niet door een verzekeringsarts is gedaan ambtshalve te beoordelen.
5. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, overweegt de Raad ten aanzien van de in eerste aanleg door de rechtbank onbesproken beroepsgronden als volgt.
6.1. Aan het bestreden besluit ligt het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Tjen van 8 mei 2006 ten grondslag. Deze heeft op basis van dossierstudie – met daarin informatie van behandelend artsen van betrokkene – en observatie tijdens de hoorzitting de bevindingen en de vastgestelde beperkingen van de arts Sabel zoals weergegeven in diens rapport van 26 oktober 2005 onderschreven en de vastgestelde beperkingen neergelegd in de FML van 8 mei 2006. De bezwaarverzekeringsarts Tjen heeft daarbij, anders dan de arts Sabel, aanleiding gezien betrokkene uit preventieve overwegingen ook op een aantal aspecten van het persoonlijk en sociaal functioneren beperkt belastbaar te achten. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de aldus vastgestelde belastbaarheid. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene haar stelling dat zij meer beperkt is niet met medische gegevens heeft onderbouwd. De door betrokkene in hoger beroep overgelegde informatie van psychotherapeut A. Snijkers van 21 augustus 2006 werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 6 september 2006 dat de opvatting van Snijkers niet met objectiveerbare symptomen en waarnemingen is onderbouwd. Het beroep van betrokkene slaagt in zoverre niet.
6.2. Wat betreft het beroep tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat uit de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 mei 2006 en 2 augustus 2006 blijkt dat de schatting is gebaseerd op de functies van inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en sorteerder (SBC-code 111340). De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige weergegeven in diens rapport van 2 augustus 2006 dat betrokkene voldoet aan de voor deze functies geldende opleidingseisen.
7. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het inleidend beroep ongegrond verklaard moet worden.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en
W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C. Palmboom.
JL