ECLI:NL:CRVB:2009:BH6054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens duurzaam verdienvermogen en beoordeling ZW-uitkering
Appellante ontving sinds oktober 2001 een WAO-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en werkte vanaf november 2001 als telefoniste/receptioniste. Het UWV trok haar WAO-uitkering per 1 juni 2003 in, omdat zij duurzaam inkomsten kon verwerven, en weigerde vanaf 5 april 2004 een ZW-uitkering wegens geschiktheid voor haar arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering ongegrond, maar vernietigde het besluit tot weigering van de ZW-uitkering wegens een onjuiste maatstaf arbeid. In hoger beroep stelt appellante dat het UWV de intrekking van de WAO-uitkering niet met terugwerkende kracht mocht toepassen en dat het gewijzigde takenpakket onvoldoende is onderzocht.
De Raad oordeelt dat het UWV niet zonder voldoende medische onderbouwing kan concluderen dat werkzaamheden gedurende een korte periode passend zijn en dat appellante duurzaam inkomsten kan verwerven. De intrekking van de WAO-uitkering wordt daarom vernietigd. De Raad bevestigt echter dat appellante vanaf 5 april 2004 geschikt was voor haar functie als telefoniste/receptioniste en dat de weigering van de ZW-uitkering terecht is. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende medische onderbouwing, maar de weigering van de ZW-uitkering wordt bevestigd.