ECLI:NL:CRVB:2009:BH6073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsverleden
Appellant, geboren in 1924, verzocht in 2001 om een AOW-uitkering met de stelling dat hij tussen 1971 en 1976 bij verschillende werkgevers in Nederland had gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant niet in het bevolkingsregister stond ingeschreven en geen overtuigend bewijs kon overleggen van zijn verzekeringsstatus in die periode.
In eerste aanleg werd het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant bracht getuigenverklaringen en een verklaring van een voormalige werkgever in, maar deze werden onvoldoende geacht om het arbeidsverleden te bevestigen. In hoger beroep stelde appellant dat de moeilijkheid om na ruim 30 jaar bewijs te leveren onvoldoende werd meegewogen.
De Raad achtte aannemelijk dat appellant in 1971 tijdelijk verzekerd was, waardoor minimaal 2% AOW wordt toegekend. Voor de periode 1972-1976 kon appellant niet aannemelijk maken dat hij in Nederland woonde of loonbelasting betaalde. Het bestreden besluit werd vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen met toekenning van ten minste 2% AOW. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met toekenning van minimaal 2% AOW.